CLXII. Uit (2)

pianokeys“Zo, mooie jongen,” zei de man wiens blikken Milo probeerde te ontwijken terwijl hij recht voor hem stond. “Weet je waaraan je begint?”
Milo lachte wat schamper, maar zei niets.
De man bestudeerde zijn gezicht tot hij heel zeker wist dat Milo zich gênant ongemakkelijk voelde. Toen zei hij: “Oké.”
Twee seconden later had Milo zich al omgedraaid en liep hij de toiletruimte uit. Hij ging onmiddellijk de straat op, liep een stuk weg van de club waar hij net naar buiten was gelopen en sloeg een paar honderd meter verderop een smalle zijstraat in. Verscholen achter een aantal containers die uitpuilden met vuilnis snoof hij ongeveer een kwart gram naar binnen van de poeder die hij net had gekocht.
De rush was veel te intens.
Niet goed. Niet goed.
Milo kreunde, zijn ogen dichtknijpend, en liep de zijstraat weer uit, terug naar de club. Pas na een tijdje merkte hij had het hem niet lukte rechtop en in een rechte lijn te lopen. Het duurde eeuwig voordat hij weer terug was bij de club. Bij de deur werd hij tegengehouden door een uitsmijter.
“Ik kom net van binnen,” zei Milo. Hij klonk immens dronken.
“Dronken of high kom je er niet in,” zei de uitsmijter zonder hem aan te kijken.
“Iem-iem… iemand h-h-heeft me bel-l-lazerd,” brabbelde Milo.
“Donder op, jongen.”
“Iemand heeft m-me be-bel-lazerd,” probeerde Milo nog eens. Hij maakte een beweging naar de deur en de uitsmijter greep hem onzacht bij zijn arm.
“Donder. Op.”
“Je be-begrijpt het n-n-niet,” bracht Milo uit, maar hij klonk nog dronkener dan een moment geleden en hij wist heel zeker dat de uitsmijter hem eerder op zijn gezicht zou slaan dan dat hij hem terug de club in zou laten.
“Ik begrijp het heel goed. Neem een taxi en ga je roes uitslapen.”
“Ik ben niet…”
“Probeer een ander voor de gek te houden,” zei de uitsmijter. Hij had Milo nog steeds vast bij zijn arm en begon hem nu naar de stoeprand te duwen.
Milo probeerde zich te verzetten maar zijn ledematen deden helemaal niet wat hij wilde en hij struikelde, zich onhandig vastgrijpend aan de arm van de uitsmijter om niet te vallen. Hij wilde weer iets zeggen maar hoorde zichzelf alleen maar onduidelijke geluiden maken. De uitsmijter rukte zijn arm los en Milo viel alsnog. Zijn adem stokte en in plaats van naar zijn arm te grijpen, die behoorlijk zeer deed op de plaats waar de uitsmijter hem vast had gehad, of naar zijn schouder, waarmee hij hard tegen de grond kwakte, greep hij naar zijn keel. Want hij kreeg ineens geen lucht meer binnen.
“Ga naar huis,” klonk de stem van de uitsmijter ver weg.
Milo deed zijn mond zo wijd mogelijk open maar het leek wel of zijn hersenen waren vergeten hoe ze aan de rest van zijn lichaam moesten doorgeven dat er adem gehaald moest worden. “Help,” fluisterde hij. Tenminste, dat dacht hij. In plaats daarvan viel hij flauw terwijl er braaksel uit zijn mond droop.

Advertenties
Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

CLXXI. Uit

pianokeysOp de patio van een strandhuis keek Milo door zijn wimpers naar de zonsondergang. Hij droeg alweer niets, deze keer zelfs geen zonnebril, maar nu was hij tenminste alleen. Het huis achter hem was zo goed als leeg; er stonden alleen een bank, in de woonkamer, en een bed, in de slaapkamer die de hele tweede verdieping besloeg. Verder was er niets.
Hij moest uit vanavond.
Hij had geen drugs meer en zijn hoofd was zwaar en hij moest bewegen.
Milo draaide zich om en ging naar binnen. Hij douchte heet en stapte rood als een kreeft de slaapkamer in om kleren aan te trekken van de stapel die ongeorganiseerd in een hoek van de kamer lag.
Hij had er geen idee van welke dag het was. Hij wist niet hoe lang hij nu weg was van thuis, hoe lang het geleden was dat hij Rick voor het laatst had gesproken. Denken aan hoe Rick had geklonken toen hij hem voor het laatst aan de telefoon had zorgde voor een pijnlijke steek in zijn maag die soms zo hard was dat hij er dubbel van sloeg. En denken aan Rick deed hem denken aan Bobbie, en als hij dacht aan Bobbie voelde hij iets wat hij niet kon plaatsen. Het maakte hem zo misselijk dat hij ervan moest overgeven.
Hij wilde niet denken aan Rick, of aan Bobbie. Behalve dat hij niet anders deed wanneer hij nuchter was.
En daarom moest hij uit, moest hij wat gaan drinken, hij moest ervoor zorgen dat hij iets zou kunnen gebruiken waardoor zijn hoofd stil zou komen te staan. Hij kon niet denken aan Rick, of Bobbie, of alles wat te maken had met zijn normale leven.
Milo had er geen idee van hoe hij terug zou moeten naar dat leven, of hij überhaupt wel terug wilde.
Wat hij nu deed, kon hij niet blijven doen. Dat wist hij best. Waarschijnlijk zou hij zichzelf binnen niet al te lange tijd ombrengen als hij dit bleef doen. Maar voor nu kon hij niet anders, voor nu moest het nog even doorgaan.
Milo kleedde zich aan. In de badkamer overwoog hij make-up op te doen en hij keek zo lang naar zijn spiegelbeeld dat hij zichzelf lelijk begon te vinden. Het lelijkste wezen op aarde. Met zijn scherpe trekken en helderblauwe ogen en zijn lange, donkere haar.
Hij mocht die knappe jongen die naar hem terugkeek helemaal niet. Hij vond hem een smeerlap en een lafaard. Hij wilde niets met die jongen te maken hebben.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

CLXX. Zwemmen

pianokeysIn een andere stad, waar de zon niet aan de kant van de zee opkwam, maar onderging, liet Milo zich aan de rand van een zwembad door een supermooie vrouw injecteren met een drug waarvan ze hem had beloofd dat hij nog nooit zoiets had meegemaakt. Hij lag op zijn rug en het enige wat hij droeg was een zonnebril.
De vrouw drukte de inhoud van de injectienaald in een ader in Milo’s linkerarm en Milo kreunde onwillekeurig. “O shit,” murmelde hij. Het was inderdaad iets wat hij nog nooit had gevoeld. Het was plotseling en acuut en direct; het kwam aan als een stomp recht tussen zijn ogen en hij moest ervan hoesten. En hij was onmiddellijk ongelofelijk high.
“Lekker hè?”
“O shit,” fluisterde Milo nog eens. Hij deed zijn ogen open maar zag alleen zon. Zijn ogen weer sluitend probeerde hij zijn arm op te tillen om de vrouw over haar blonde haar te strelen, maar dat lukte niet.
“Ontspan je,” zei ze tegen hem.
Milo kuchte weer. Hij liet zijn rechterarm in het water van het zwembad glijden. “Hoe heet je ook alweer?”
Ze zei iets maar hij verstond het niet.
“Rebecca?”
“Nee, gekkie.” Ze kuste de plaats op zijn arm waar ze hem zojuist had geïnjecteerd, en daarna kuste ze zijn liezen.
“Niet doen.”
“Oh, Steven,” zuchtte ze, “je bent zo jong. Zo jong.”
Dat had hij eerder gehoord. Kort geleden. Lang geleden. Terwijl zij haar lippen over zijn onderbuik liet bewegen vroeg Milo nog eens naar haar naam. Ze noemde eerst weer alleen haar voornaam, en daarna haar voor- en achternaam, langzaam, alsof het heel belangrijk was dat hij dit wist. Of heel dom dat hij haar naam niet wist. Toen hij haar uiteindelijk verstond schrok hij op. Ze was een heel, heel erg beroemde actrice. En ze had hem godzijdank niet herkend. “Zijn we alleen?”
“Ja.” Haar tong likte aan de randen van zijn navel.
“Weet iemand dat je gezelschap hebt?”
Ze zoog aan de gevoelige huid net boven zijn schaamstreek. “Nee.”
“Zijn we bij jou thuis?”
Nu lachte ze zachtjes. “Ik wist dat je in de war was, maar…”
“Alsjeblieft.” Hij zei smekend haar naam. “Zijn we bij jou thuis?”
“Ja.” Haar lippen bewogen zich naar zijn geslacht en Milo legde zijn rechterhand beschermend over zijn kruis. Daarop kroop ze bovenop hem. Hij keek naar haar op. Ze zag eruit als een godin; groot, sterk, gebruind, veel jonger dan ze was, veel te stevige borsten voor haar leeftijd. “Kom,” zei ze, “we gaan zwemmen.”
Milo wist zeker dat hij niet zou kunnen zwemmen in de staat waarin hij verkeerde, maar voordat hij iets terug had kunnen zeggen rolde ze met hem tussen haar benen geklemd het water in.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | 6 reacties

CLXIX. Stuk (alweer)

pianokeysToen Milo wakker werd lag hij op zijn buik in het gras aan het water. Het was licht en mistig. Aan de overkant van het water, een heel stuk verderop, kon hij de stad zien liggen en hij vroeg zich af hoe hij hier kwam.
Wat had hij de avond van tevoren ook weer gedaan?
Milo duwde zichzelf overeind en zijn hoofd bleek zo’n zeer te doen dat hij hardop kreunde. Hij veegde langs zijn gezicht. Het voelde plakkerig. Milo keek zijn handen en zag dat ze onder het bloed zaten.
Hij had geen idee wat er gebeurd was.
Er was geen taxi te bekennen op straat, maar zelfs als die er was geweest hadden ze hem waarschijnlijk niet meegenomen omdat hij zo onder het bloed zat. Bovendien bleek zijn geld weg te zijn, dus uiteindelijk liep hij uit arren moede terug naar zijn gehuurde appartement. Het was enige kilometers lopen en Milo deed er uren over, mede omdat hij een paar maal over moest geven en zelfs een keer flauwviel.
Bij het appartement haalde hij de sleutel uit zijn laars en hij strompelde de trappen op naar de veiligheid van zijn onderkomen.
In het appartement snoof hij eerst een ruime hoeveelheid cocaïne van het aanrecht in de keuken. Daarna deed hij zijn kleren uit en hij liet het bad in de badkamer vollopen terwijl hij het bloed van zijn gezicht en handen waste en zijn neus, kaken en mond controleerde. Tot zijn opluchting leek er niets gebroken en had hij al zijn tanden nog.
Nadat hij zich in het bad had laten zakken keek hij door het warme water naar zijn naakte lichaam. Nog maar een paar dagen terug aan de drugs en hij was al zichtbaar dunner geworden, of verbeeldde hij zich dat? Met een zucht sloot hij zijn ogen. En waar hij eerder nog had geprobeerd te herinneren, wilde hij nu niets liever dan vergeten. Alles vergeten.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Talent

i_exist_as_i_am,-15778In een document dat ik zat te lezen voor mijn werk kwam ik een vraag tegen die me aan het denken zette. De vraag luidde: Als we het jouw beste maatje vragen, wat zou hij/zij als jouw beste talent benoemen?

Nou is mijn beste maatje iemand die ik dat niet hoef te vragen, want hij heeft het me meerdere malen verteld, wat hij vindt dat mijn beste talent is. Hij vindt dat ik me uitstekend, doordacht en altijd genuanceerd uit kan drukken, of het nu op papier (dan wel een computerscherm) of mondeling is. En hij vindt dat ik daarin hartstikke overtuigend ben.

Ik hoor je zeggen: “Ja, natuurlijk. Hij is je beste vriend, uiteraard overlaadt hij je gevraagd en ongevraagd met complimenten.” Maar zo is hij niet. Want hij weet ook als geen ander onmiddellijk de vinger op de zere plek te leggen als het gaat om mijn onvolkomenheden, of de dingen waar ik tegenaan loop. (En ook daar hoef ik niet naar te vragen; hij komt er gewoon mee als hij denkt dat het logisch of nodig is.)

Wat ik opvallend vind, is dat het me juist op mijn werk, waar het wel van me verwacht wordt, niet goed lukt om me uitstekend, doordacht en genuanceerd uit te drukken. Op één of andere manier heb ik me in mijn werk aangeleerd om te luisteren naar wat anderen vinden en zeggen, zonder dat ik zelf het achterste van mijn tong laat zien. (En aan een tong als de mijne zit nogal een achterkant, kan ik u vertellen.)

Zelfs wanneer ik me bedenk wat mijn dromen zijn, welke kant ik op wil met mezelf, sprak ik mezelf tot dusverre niet uit. Wel een beetje, zo van: Ik zou wel willen… (vul in). Maar nooit ronduit. Nooit uitstekend, doordacht en genuanceerd uitgedrukt.

Daar kwam gisteren een einde aan. Gisteren schreef ik precies op welke kant ik op wil. Wat mijn leven moet zijn. Wie ik moet zijn. Want ik heb er lang genoeg over gezwegen tegen alles en iedereen. Het wordt tijd dat ik eindelijk altijd en overal echt mezelf ben.

P.S. Voordat u het vraagt: ik kom er zeker op terug wat ik heb opgeschreven. Beloofd! Ik kan namelijk niet anders, volgens mij. Wordt vervolgd.

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , , , | 6 reacties

Beest

Was het maar zo simpel, hè? Dat je constateert dat er iets niet lukt, en dat je dat dan gewoon maar even aanpast. Of dat je tegen iemand anders zegt: “Volgens mij kan ik het niet.” En dat die ander zegt: “Natuurlijk wel!” En dat het dan ook gewoon lukt, simpelweg omdat een ander in je gelooft.

Zo simpel is het dus niet.

Het is niet eens zo simpel als dat je in jezelf gelooft, en dat het dan allemaal ineens gaat zoals het moet gaan, zoals anderen verwachten van je dat het gaat, zoals je zelf zou willen dat het gaat.

Onder elke gedraging zit een heel ding. Een, bij gebrek aan een beter woord, beest. Een heel beest, dat zich er best een hoop moeite voor heeft gedaan om er te komen zitten en echt niet zomaar weggaat omdat iemand in je gelooft, of omdat je gelooft in jezelf. Of omdat je je ineens voor hebt genomen dat dingen nu echt anders moeten.

Daar heeft dat beest geen boodschap aan.

Het is niet eens voldoende dat je beseft hoe het beest heet, en ook niet dat je weet hoe het daar gekomen is. Wat ervoor nodig is geweest dat het ontstond en zich nestelde op de plek waar het nu zit.

Je moet alle boeien waarmee het zich vast heeft geketend vinden en losmaken. Ze vinden is al een hele klus, laat staan het losmaken, want daar zijn ook weer sleutels voor nodig en die laten zich niet zomaar, één, twee, drie, vinden. Natuurlijk niet. Ze liggen overal verspreid; sommige bij het beest in de buurt, en sommige op een heel andere plaats, een plaats waarvan je nooit had gedacht dat ze daar zouden liggen.

Een gedraging veranderen is een klus van jewelste. Maar ik geef niet op.

Geplaatst in Bericht, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | 1 reactie

Affaire

cold loveZe had hem gepijpt zoals hij nog nooit in zijn leven gepijpt was; als ze in een ding echt heel goed was, dan was het hoeren. Hoe ze in zijn slaapkamer terecht was gekomen was hem een raadsel. “Slikken,” had hij gezegd en dat had ze gedaan. Ze had hem willen kussen maar hij stuurde haar weg. Natuurlijk was ze niet gegaan.
Hij keek naar haar, draaide zijn rug naar haar toe, sloot zijn ogen en probeerde verder te slapen, maar het lukte niet. Uiteindelijk stond hij op, douchte, kleedde zich aan. Ze sliep nog toen hij terug kwam in de slaapkamer, of ze deed heel overtuigend alsof. Hij ging naast haar op het bed zitten om haar te wekken. Of om te zien hoe goed ze kon acteren.
Haar ogen gingen langzaam open. “Goedemorgen,” gaapte ze elegant, een arm uitstrekkend naar hem en ze trok zijn hoofd naar zich toe.
Hij maakte zich los voordat zijn gezicht ook maar in de buurt van het hare kwam. “Kleed je aan.”
Ze was verbaasd, of veinsde op een overtuigende manier verbazing. “Wat is er gebeurd met ‘ook goedemorgen’?”
Hij stond weer op en trok het gordijn van de slaapkamer open, een uitzicht onthullend op een wijds terras met een grasveld erachter. De zon straalde. “Ik wil dat je gaat.”
Ze ging overeind zitten met de deken tegen haar lichaam aangedrukt. “Komen je vriendjes straks spelen?”
Hij keek uit het raam naar de tuin en schudde zijn hoofd. “Ik wil gewoon dat je gaat,” zei hij.
Ze zei niks meer en achter zijn rug hoorde hij het ruisen van de lakens terwijl ze uit bed kwam. Zonder haar te zien draaide hij zich om en verliet hij de kamer.
In de keuken snoof hij twee lijntjes cocaïne van het gladde messing aanrecht en dronk hij een glas water. Ze zat in de woonkamer toen hij binnenkwam.
“Heb je niks te eten in huis?” vroeg ze.
Hij keek haar alleen aan.
Ze keek terug, streek haar over haar ogen vallende haar naar achteren. “O god,” zei ze na een tijdje en ze stond op. “Ik ga al.”

Ze kwam verschillende malen vergeefs naar zijn huis. Een paar keer deed hij net of hij niet thuis was, of hij deed gewoonweg niet open, hoe hard ze ook op de deuren en ramen bonkte en schreeuwde.
Een enkele keer belde hij de politie, bijvoorbeeld toen hij wat bekenden op bezoek had. Op een morgen vond hij bij thuiskomst een stiletto in zijn voordeur, die zo diep in het hout was geslagen dat hij hem niet eens losgewrikt kreeg. Hij liet het ding zitten en ging slapen.
Die middag stond ze weer voor zijn huis. Ze zag er ongelofelijk bleek uit in de stralende zon. Hij zag haar pas toen hij nog slaapdronken de woonkamer in struikelde op zoek naar een restje coke.
Na een moment van twijfel besloot hij open te doen.
In de deuropening geleund keek hij naar haar, totdat ze uiteindelijk merkte dat hij er stond.
“Ik vraag me af wat ik hier doe,” zei ze, nadat ze hem een hele tijd door haar zonnebril aan had gekeken.
Hij wendde zijn blik af en liep terug naar binnen. Ze volgde hem.
Ergens in een achterkamer vond hij een potje pillen. Hij wilde teruggaan naar de keuken om iets in te schenken om de pillen mee weg te spoelen, maar ze stond recht achter hem toen hij zich omdraaide. Haar make-up was in zwarte randen uitgelopen onder haar ogen. Haar blonde piekhaar zag eruit alsof het dagen niet gekamd was. Alles aan haar ademde verval.
Hij nam haar gezicht tussen zijn handen en kuste haar.
Ze spraken niet maar hadden seks.
In de keuken nam hij zijn uppers met een glas lauwe gin.
Ze was in de woonkamer en rookte een sigaret zonder te inhaleren. “Gaan we een keer uit?” vroeg ze toen hij binnen kwam.
Hij keek langs haar heen en antwoordde niet.
“Je wilt gewoon niet dat iemand ons samen ziet,” zei ze.
“Zou iemand ons samen moeten zien?” vroeg hij.
Geen antwoord.
Hij draaide zich van haar af en keek afwezig uit het raam waar ze eerder tegenaan geleund had gestaan.
“Wil je zeggen dat we niks hebben?” zei ze.
“Nee,” zei hij.
Na een lange stilte zei ze: “Wat ben je toch een ongelofelijke klootzak.”
Hij voelde niets. “Ik moet weg,” zei hij.
“Ik laat mezelf wel uit.”
Hij liep de woonkamer uit, pakte zijn autosleutels. “Dat dacht ik niet,” zei hij vanuit de hal tegen haar. Hij hoorde haar ongedurig zuchten.
“Eikel,” zei ze.
Hij ging de woonkamer weer binnen. “Oprotten.”
Ze liep naar hem toe stompte hem uit het niets in zijn maagstreek. Ze sloeg als een man. Hij klapte dubbel en hapte naar adem. “Trut,” zei hij hees.
“Ja,” zei ze, terwijl ze de voordeur opende.
Hij herstelde zich voordat ze naar buiten liep, greep haar bij haar haren en duwde haar hardhandig met haar gezicht tegen de voordeur. De deur sloeg weer dicht.
Ze gilde en vloekte. Maar voordat hij wist wat er gebeurde sloeg ze ineens haar armen om hem heen. Ze legde haar hoofd in zijn hals. “Ik heb je zo nodig,” zei ze zachtjes.
Hij sloot zijn ogen. “Ik breng je naar huis,” zei hij.
Ze zei niets terug.

Ze stond op de rand van het dak en keek naar beneden terwijl de harde wind speelde met haar dunne jurk en haar blonde haar. Het was duidelijk dat ze hem verwachtte. Toen hij een meter of twee van haar verwijderd was stak ze haar arm naar hem uit, niet om steun te zoeken maar om hem op afstand te houden, zonder blik af te wenden van de straat diep onder haar.
“Blijf daar.”
Hij bleef staan, probeerde een glimp van haar gezicht op te vangen. “Waarom vertel je me niet gewoon wat je nou weer wilt. We weten allebei dat jij niet gaat springen. Wat is er.”
“Hoe weet jij dat ik niet ga springen?”
Hij verloor vrijwel onmiddellijk zijn geduld met haar. “Stik erin.”
Ze hoorde dat hij weer wegliep en ging overeind staan, draaide zich half naar hem om. “Wacht!”
Tot zijn eigen verbazing bleef hij bleef staan, en hij keek weer naar haar.
Ze wankelde en hij zag dat ze maar een schoen droeg.
Hij wendde zijn blik weer af. “Wat wil je van me.”
Het was een lange tijd stil. Toen ze hem uiteindelijk antwoordde klonk ze hysterisch. “Ik wil dat je van me houdt!”
Hij schudde zijn hoofd. “Ik hou niet van je.”
“Maar je hebt me wel geneukt.” Ze probeerde verleidelijk te klinken.
Hij haalde zijn schouders op. “Ik heb niet gezegd dat ik geen gevoelens voor je heb.”
Het begon licht te miezeren
Ze maakte een wijds armgebaar en lachte gemaakt. “Hij heeft niet gezegd dat hij geen gevoelens voor me heeft!” schreeuwde ze naar de wolken. En hem weer aankijkend: “Wat fijn om te weten dat je gevoelens voor me hebt.”
“Schei uit,” zei hij. “En kom van die stomme richel af.”
“Hoe weet je nou dat ik niet ga springen?”
“Ik ken je.”
Ze lachte weer, harder deze keer. “Je kent me? Wie denk je wel niet dat je bent?”
Hij haalde weer diep adem, om niet tegen haar uit te vallen, om de woede die in hem kookte onder controle te houden. “Jij denkt altijd dat je gewoon zomaar overal recht op hebt.” Hij liet een korte stilte vallen. “En je hebt geen recht op mij.”
“Ik heb als geen ander recht op jou,” zei ze.
“Je moet je bek houden,” zei hij terug.
“O, wat ben jij het toch gewend dat mensen zo bang zijn voor je dat ze niet tegen je in durven te gaan.”
Ze was gek op zijn macht. Ze geilde op zijn macht.
Hij wilde naar haar toe lopen en haar een duw geven, zodat ze naar beneden zou vallen, en tegelijkertijd beneden staan te wachten om te horen hoe haar angstige krijsen dichterbij kwam, in haar doodsbange uitpuilende ogen kijken, zien hoe haar hoofd uiteen zou spatten op de straatstenen.
“Wat zou je doen als ik nu per ongeluk zou vallen?” zei ze, terwijl ze zich half naar de rand van het dak draaide en naar beneden keek.
Hij zei niets.
“Je zou me missen als ik er niet meer was.” Ze keek hem aan, plukken haar plakten aan haar gezicht. Haar roze jurkje begon door te schijnen in de regen. “Jij misselijke klootzak,” zei ze en hij hoorde dat ze huilde.
Hij sloot zijn ogen.
[Ze stond niet meer op de rand van het dak. Er was geen schreeuw. Er was gewoon niets. Hij ging naar de dakrand toe en zag haar lichaam onderaan het gebouw liggen. Haar jurk roze met rode vlekken. Haar ogen wijdopen. Haar armen gespreid, haar benen geknakt.]
Hij deed zijn ogen open en keek haar aan. “Kom van die stomme dakrand af,” beet hij haar toe, en hij liet haar alleen.

Geplaatst in Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , , | 5 reacties