CXL. Nieuw

vintage piano_s“Ik raad het je af,” zei Rick, niet voor het eerst in het gesprek.
Milo maakte een onduidelijke beweging met zijn hoofd, zuchtte. Het klonk ongeduldig. Ongeduldiger dan hij wilde klinken, maar hij kon het niet echt helpen, want hij wilde dit en hij had er echt een beetje de pest over in dat iedereen het een slecht idee vond.

“Het zijn zulke verschillende albums,” zei Fletcher.
Milo beet hem toe: “Hou je erbuiten.” Tot zijn verwondering zei Fletcher niets terug.
“Christian heeft wel gelijk,” zei Rick, en Milo hief zijn handen.
“Sinds wanneer neemt Christian mijn beslissingen?”
Rick zag eruit alsof hij daarop wat terug wilde zeggen, hij opende zijn mond en haalde diep adem maar perste vervolgens alleen zijn lippen op elkaar, hoorbaar uitademend door zijn neus in een soort van snuif. Verongelijkt, misschien wel.
Het maakte Milo hoe dan ook niet uit hoe het bedoeld was. Hij wilde twee albums precies tegelijk uitbrengen, op dezelfde dag, op hetzelfde moment, want hij vond het nodig, en logisch. Want beide albums waren even belangrijk voor hem, beide waren ze een even groot deel van hem. Het ene stond voor zijn verleden, waarmee hij eindelijk, zij het met horten en stoten, min of meer af leerde rekenen; het andere voor wie hij nu was, of misschien wel, wie hij graag wilde zijn, degene waar hij naartoe werkte.
Ze moesten samen uitkomen. Milo kon niet anders.
Rick haalde weer diep adem. Pas na een hele tijd verbrak hij de stilte: “Voor welk album wil je een releaseparty?”
Milo keek Rick lang aan, langer dan hij comfortabel vond, maar hij was op zoek naar wat Rick echt wilde zeggen. Toen hij niets vond sloeg hij zijn ogen neer. “Voor beide.” Hij zag in zijn ooghoek hoe Fletcher verder overeind ging zitten, alsof hij zich klaarmaakte zich weer in het gesprek tussen Milo en zijn manager te mengen, en hij hoorde dat Rick weer scherp inademde. Milo was hen beide voor met iets zeggen: “Tegelijk.”
“Samen?”
“Het is ook één release.” Milo keek weer op naar Rick. “Toch.”
“Oké,” zei Rick. Er was twijfel in zijn stem.
“Luister het is niet zo dat ik hier niet over heb nagedacht of zo.” Milo hoorde dat hij wat geagiteerd klonk maar besloot dat het wel goed was. Rick deed net of hij zojuist had voorgesteld eerst een flink drankgelag aan te leggen voordat hij het podium op zou gaan om een paar nummers van zijn nieuwe album te spelen, terwijl hij alleen maar rock met jazz wilde mixen. Dat kon toch geen probleem zijn? Hij hoorde het al in zijn hoofd. Hij wist al wat hij wilde spelen van de beide platen, wie van zijn band er op welk moment met hem op het podium moesten staan, waar de pauze zou komen, dat hij een cover zou spelen van Stevie Wonder om iedereen een plezier te doen die maar geen genoeg kon krijgen van de covers die hij wel eens ten beste bracht, en dat hij een nummer zou spelen dat niet op de jazz-lp terecht was gekomen, gewoon omdat het niet op het album paste maar omdat hij het wel ontzettend mooi vond.
Rick knikte licht, haast onzichtbaar. Hij schreef iets op een blocnote.
Het was een tijd stil. Milo keek naar zijn bandleden, die allemaal niet naar hem keken. Behalve Tom. Toen hun ogen elkaar troffen grijsde hij en hij vroeg geamuseerd: “Je hebt al een setlist hè?” Samenzweerderig trok hij zijn wenkbrauwen op en Milo glimlachte terug.
“We moeten een paar dagen vet aan de bak,” zei Milo, van Tom naar Jesse naar Fletcher kijkend.
Fletcher zag er het meest uit alsof hij twijfelde.
Milo besloot dat hij dat voor lief zou nemen. Het was zijn muziek, het waren zijn albums, het was zijn band. Hij maakte uit wat er zou gebeuren.

Advertenties
Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Echtheid

echtIk ken een gozer die zo echt is als wat. John. John is aanwezig en lawaaierig. John heeft een harde stem en hij lacht nog harder. John heeft altijd een verhaal en hij komt altijd even goeiedag zeggen om vervolgens te blijven hangen voor een inhoudsloos gesprek dat nergens naartoe gaat maar wel door hem wordt geleid en vaak ook overheerst.

Ik mag John heel graag. Want John is echt. Rete-echt. John is echter dan bijna alle mensen die ik ken. Niet alleen bij familie of vrienden of mensen die hij vertrouwt, nee: altijd.

Veel kennissen van mij kennen John ook. En de meeste mensen vinden hem maar een rare snoeshaan. Omdat hij zo aanwezig is, zo hard praat en nog harder lacht. Omdat hij nooit ergens kan zijn zonder op te vallen of zich met iedereen te bemoeien. Dat kan niet zijn ware aard zijn, zeggen ze. Ze vinden hem fake.

Mensen, laat mij jullie vertellen: John is alles behalve fake. Je komt niet vaak mensen tegen die net zo echt zijn als John.

Maar niemand weet iets van zijn privéleven. Want daar praat John niet over. Ik spreek hem vaak en zelfs ik weet niets, helemaal niets over wat hij doet buiten de context waar ik hem vaak tegenkom. Of hij een partner heeft, of kinderen, of een ex. Of zijn ouders nog leven en welke relatie hij met hen heeft, of had. Wat hij doet in zijn vrije tijd. Of hij liever bier drinkt of wijn. Of fris. Ik heb geen idee.

Voor mij maakt dat John niet fake. Maar voor veel mensen wel. Veel mensen vinden dat je pas ‘echt’ bent als je ‘open’ bent over je familie, vrienden en seksleven. Als mensen dingen van je weten, als ze dingen van je mogen weten die niets te maken hebben met de situatie waarin je ze gewoonlijk ontmoet.

Behalve dat die dingen iemand volgens mij helemaal niet echt maken. Tastbaar, misschien, of menselijk. Maar niet zonder meer ‘echt’.

Altijd zo zijn zoals je bent, je nooit anders voordoen, dat maakt iemand echt. In elke situatie hetzelfde zijn. Gewoon, alleen maar jezelf zijn. Dat vind ik echt. Aanwezig zijn, en lawaaierig, en altijd hard lachen omdat je nou eenmaal zo bent, dat vind ik hartstikke echt.

Zoals John.

[John heet in werkelijkheid anders. Maar dat hadden jullie vast wel al door.]

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

Loze woorden

20180803_0156228434076987052683963.jpgIk zou zo graag iets zeggen tegen je, iets wat echt is, iets wat je raakt, iets wat nog nooit iemand tegen je heeft gezegd, iets zo prachtigs dat je er een liedje over zou willen schrijven. Maar het kan niet.

Het is niet zo dat ik geen woorden heb – je weet hoeveel woorden ik heb, hoeveel mooie af en toe, hoeveel rake woorden soms ook. Hoeveel echte. Maar het blijven loze woorden, woorden waar je over zwijgt.

En verder is alles al tegen je gezegd. Door anderen. Door iedereen. Alle lieve dingen, alle dingen waar je van gaat blozen, alle dingen die je verlegen maken, en gelukkig en trots. Alle dingen die mooi zijn en goed en terecht en eerlijk en echt. Dus er is niets meer over.

Dus kijk ik alleen maar en ik zwijg ook. Ik probeer je niet te raken omdat ik elders al zo vaak miste. En omdat anderen al zo vaak in jouw roos schoten dat mijn woorden er niet meer bij passen.

Maar alle goden, soms hou ik zo verblindend veel van je.

Geplaatst in Bericht, Dromen, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , , | 3 reacties

Schrijver

far awayVeel mensen lezen mijn verhalen niet. Daar kunnen we kort over zijn. Ik schrijf me een ongeluk (of eigenlijk, ik schrijf me een geluk, want ik word bijzonder gelukkig en licht van schrijven en vooral van het schrijven van fictie) en sommige mensen lezen ook echt wat ik schrijf, maar de meeste mensen niet. Zelfs veel mensen die heel dicht bij me staan lezen mijn verhalen niet.

Dat is oké. Tegenwoordig, zei ik eerder vandaag tegen een kennis van me, schrijft elke halve zool; iedereen is tegenwoordig ‘schrijver’ en je moet wel heel bijzonder kunnen schrijven als mensen je überhaupt willen gaan lezen, laat staan dat ze je en masse gaan lezen. Mijn omgeving heeft me altijd een beetje tegen mezelf geprobeerd in bescherming te nemen door mijn enthousiasme voor het schrijversvak op die manier enigszins te temperen: je bent heel bijzonder voor ons, maar je schrijfsels zijn vast niet bijzonder genoeg en we proberen je de teleurstelling daarover alvast te besparen. Hoe dan ook, schrijven deed ik toch. Doe ik toch. Omdat ik niet gewoon anders kan.

Vooralsnog vind ik het niet erg om geen publiek te hebben voor mijn verhalen. Tenminste, dat zeg ik. Of, dat zei ik. En ik moet ermee ophouden dat te zeggen. Want toen ik dat hier zojuist onderbouwd en vol overtuiging wilde gaan opschrijven, voelde ik ineens dat dit niet waar is. Mijn lichaam reageerde letterlijk op die woorden (“ik vind het niet erg om geen publiek te hebben voor mijn verhalen”) met allerlei oncomfortabele dingen. Zweet in mijn handen. Een zeurend gevoel in mijn maag. Zuchten. En, natuurlijk, zoals altijd als ik enige emotie voel, huilen.

Een tijd geleden schreef ik in mijn dagboek: “Ik denk dat ik juist wél aandacht wil. Als bevestiging. Als brandstof. Als bouwstenen.” En, daarop voortbordurend, ja, ik denk dat ik echt wel dolgraag wil dat zo veel mogelijk mensen mijn stukken lezen. Zowel dit soort stukjes, die over mijzelf gaan, als de stukken die ik schrijf aan mijn fictieve verhalen. Want die gaan net zo goed over mij. Er staan dingen in die ik voel en vind, mijn onzekerheden en mijn gevoelens staan erin.

Mijn Milo Morris, die jongen waar ik sinds eind 2015 over schrijf, onder andere op deze blog, is niet mij, natuurlijk niet. En zijn drama is uiteraard niet van mij. Maar zijn gedrag, zijn reacties, zijn beweegredenen en gevoelens, dat ben ik. Ik ben die behoefte aan aandacht en die moeite daarom te vragen. Ik ben zijn enorme behoefte om gezien te worden en zijn angst dat mensen erachter komen hoe hij echt is en hem dan niet meer leuk vinden.

Ik ben alles wat ik schrijf. En aan de ene kant vind ik het eng dat mensen zo diep in mijn ziel kunnen kijken, maar aan de andere kant vind ik het eigenlijk heel erg dat mensen dat niet eens willen. Dat het ze helemaal niet interesseert. Dat ik zomaar iemand ben, waar maar weinig mensen naar omkijken.

Afijn. Op dit moment is het wat het is. Als niemand mijn geschrijf leest, dan is dat zo. Laat ik, voor nu in ieder geval, proberen alleen maar gelukkig te zijn met de bevrijding die ik in schrijven vind.

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Milo Morris, Persoonlijk, Schrijfsels | Tags: , , , | 6 reacties

Prequel

Als het goed is, heb je hier wel eens een stukje zien staan over ene Milo Morris, die in het fantasieland van mijn verbeelding een grote popster is met een nogal verrot verleden en een vaak niet te onderdrukken drang alcohol en drugs te gebruiken. Het verhaal begon toen hij 19 was, nu (het laatste stuk dat ik postte was deel 139) is hij 22. Maar er gebeurde natuurlijk van alles en nog wat voor zijn 19e. En ook daar heb ik over geschreven. Want ik schrijf nou eenmaal graag over deze jongen.

Hoe dan ook, hier een ‘prequel’. Milo Morris is net 16 en het enige wat hij wil is spelen. Waar en hoe interesseert hem niet. Het is een redelijk lang stuk, bijna 1700 woorden volgens mij. Hopelijk vind je het toch de moeite waard om te lezen. 🙂

jazzpianoToen het al donker was sloop Milo een kleine club binnen waar hij heel af en toe kwam, omdat er meestal bebop werd gespeeld. Hij wilde hier veel vaker zijn, maar hij was hier al verschillende malen onzacht de straat op gegooid door de uitsmijters. Immers, hij zag er nog jonger uit dan hij was en deze mannen hadden al zo vaak nagemaakte identiteitsbewijzen gezien dat niets ze voor de gek hield, zelfs een zo goed gemaakte als die van Milo niet. Om niet op te vallen bleef hij achterin de zaal staan, een beetje in het donker, in de buurt van de bar. Nu het nog niet zo druk was had hij vanaf hier vrij zicht op het podium.
Er zat een pianist die soleerde. Hij speelde nummers van Thelonious Monk en Milo liep na een paar minuten hoofdschuddend naar de bar. Dit was bij lange na niet zo goed als hij zelf zou kunnen. Deze man zou weg moeten blijven van alles wat jazz heette te zijn, en helemaal van de ongeëvenaarde Monk.
“Whisky met mineraalwater alsjeblieft,” zei hij tegen de bardame, zijn hoofd wat gebogen zodat ze zijn gezicht niet goed zou kunnen zien, zogenaamd kijkend hoeveel geld hij in zijn portemonnee had.
Ze keek even naar hem en schonk toen in. Op het moment dat hij een bankbiljet over de bar naar haar toe schoof zei ze: “Ik neem aan dat je eenentwintig bent?” De minimumleeftijd om binnen te mogen in deze club.
Milo keek naar haar op zonder haar te zien. “Nee.” Hij pakte het glas en begon zich om te draaien.
“Ik zou je naar buiten moeten laten begeleiden,” zei de bardame. Ze wachtte tot Milo haar weer aankeek, maar nu echt. Milo deed zich moeite totaal emotieloos te lijken. Ze onderzocht zijn gezicht maar kon niets ontdekken, en vervolgde: “Maar je hebt al slaag gehad, zie ik.”
Milo glimlachte kort en gemaakt.
“Wat zoek je hier?”
Milo wendde zijn ogen af. Hij wierp een korte blik over zijn schouder, in de richting van het podium, en zei: “Voor de muziek hoef ik hier niet te komen, in ieder geval.”
“Alsof jij het beter kunt.”
Milo keek naar haar. En zei tot zijn eigen verrassing: “Natuurlijk kan ik het beter.”
De bardame lachte een mooie, brede lach. Ze boog zich voorover over de bar en wenkte hem met een klein gebaartje van haar hand naar zich toe. Toen Milo recht voor haar stond en zijn hoofd naar haar toe boog zei ze zacht: “Als je me goed genoeg neukt, zorg ik ervoor dat je op het podium komt.”
Het lukte Milo plotseling helemaal niet meer welke emotie dan ook te verbergen of te faken. “Wat?”
“Als je me goed genoeg neukt,” herhaalde de bardame kalm, elk woord langzamer uitsprekend.
“Ik verstond je wel.”
“Nou dan.” Ze ging weer overeind staan en keek Milo met bijna gesloten ogen aan. “Kom.” En ze kwam achter de bar uit. Hem met een hoofdknik wenkend duwde ze een deur vlak naast de bar open die Milo nog niet was opgevallen.
Milo dronk zijn glas leeg in twee slokken en liep zonder verder na te denken achter haar het donkere hok in.
De bardame drukte de deur achter hen dicht, duwde Milo met zijn rug tegen de muur en begon hem zonder aankondiging te tongzoenen. Milo zoende haar terug. Ze was iets groter dan hij, maar had kortere benen en toen Milo zijn kruis tegen haar aan drukte, drukte hij zichzelf tegen haar onderbuik in plaats van tegen haar schaamstreek. Ze duwde hem aan de kant en hij zakte opzij, maar niet op de grond; hij kwam terecht op een stapel dozen of iets dergelijks. Voordat hij zijn eigen jeans los had kunnen maken had zij zijn broek al omlaag getrokken en ze liet zichzelf op hem zakken. Het duurde voor Milo’s gevoel maar enkele seconden voordat hij klaarkwam.
“Sorry,” hijgde hij.
“Sst.” Ze duwde haar mond weer over die van hem, masseerde zijn kruis en liezen tot hij weer hard was en nam hem nog eens. En daarna nog eens. Daarna hield hij op bij te houden hoe vaak ze kwam. En hoe vaak hij zelf kwam.
“Oh, shit,” fluisterde Milo, toen ze uiteindelijk van hem af stapte. Hij legde zijn handen over zijn geslachtsdeel. Het voelde rauw en deed pijn, zo hard had ze hem genomen. Onhandig begon hij zijn boxers en jeans weer aan te trekken, maar hij kon bijna niet op zijn benen staan van uitputting. Hij voelde zich mentaal en fysiek leeggezogen.
Net toen hij de knoop van zijn jeans dichtdeed knipte de bardame het licht in het hok aan. Het was fel, wit en confronterend. Nadat zijn ogen aan het licht waren gewend zag hij hoe de bardame voor hem stond en op hem neerkeek. Milo voelde hoe zijn wangen rood werden en hij probeerde weer op te staan, wat tot zijn opluchting lukte, zij het wankel en houterig.
“Ik ga zo weer naar buiten,” zei ze tegen hem. Ze klonk plastisch, alsof ze elkaar voor het allereerst zagen. “Als ik op de deur klop, kom je hier weer uit.”
“Oké.” Milo schaamde zich ervoor hoe hees zijn stem was.
Ze keek verder niet naar hem en verliet het hok.
Milo keek om zich heen. Dozen. Bezems. Een enkele emmer. Rekken met allerlei rommel erop. Hij fatsoeneerde zijn kleren, zo goed en zo kwaad als het ging, wilde met zijn handen in zijn gezicht wrijven en zijn vingers door zijn haar halen, maar rook haar lichaamssappen en zijn eigen sperma, greep een handdoek van een rek en veegde daar zijn gezicht mee af, en daarna zijn handen.
Drie harde kloppen op de deur.
Milo kneep even zijn ogen dicht, slikte een paar keer flink maar het gevoel dat er een dikke laag slijm in zijn keel zat ging er niet van over. Hij liet de handdoek vallen en liep naar de deur, zijn haar zo goed en zo kwaad als het ging kammend met zijn vingers. Zijn schaamstreek brandde en hij moest zich moeite doen normaal te lopen.
De club was stikdonker in vergelijking met het felle neonlicht in het hok, en het duurde voor Milo’s gevoel minutenlang voordat hij weer echt iets zag. Iemand duwde hem een glas in zijn handen en zei: “Drink, soldaatje. Zo meteen krijg je je grote moment.” Milo keek naar degene die tegen hem praatte en het kon de bardame zijn, maar ook iemand anders. Hij voelde zich verward en duizelig.
Er zat pure whisky in het glas. Milo dronk het in één teug leeg.
“Grote jongen.” Het was niet de bardame, maar een andere vrouw. “Kom mee.” Ze pakte het glas uit zijn hand, greep hem bij zijn schouder en duwde hem voor zich uit. Midden tussen het inmiddels groter geworden publiek door. Naar het podium.
“Wat doe je,” vroeg Milo slap. Hij was zich er geweldig van bewust dat zijn onderlijf zeer deed, en hoe onhandig hij daardoor liep. Hij had het gevoel dat iedereen aan hem kon zien dat hij zojuist in het voorraadhok van de club door de bardame verkracht was tot hij niet meer kon denken. “Wat doe je.”
“Je wilde toch spelen?” vroeg de vrouw dicht bij zijn oor. “Je was toch beter dat hij?”
Milo keek naar het podium en zag dat dezelfde pianist er nog zat. Er waren, anders dan hij dacht, blijkbaar maar een paar minuten voorbijgegaan sinds hij een whisky met water had besteld bij de bar. “Damn,” fluisterde hij.
“Spelen, soldaatje,” zei de vrouw tegen hem, hard nu.
Milo hoorde een aantal mensen joelen tegen hem. Hij struikelde de drie treden naar het podium op, hield zich maar net staande.
“Als je zuigt, flikker ik je buiten en kom je er nooit meer in. Gesnopen?”
Hij keek in de richting van waar hij de vrouw tegen hem hoorde schreeuwen, maar hij kon haar niet meer ontdekken in het publiek. Naar adem happend draaide hij zich om naar de piano, waar de pianist inmiddels was opgestaan. De kerel grijnsde naar hem.
“Hé, puppy.”
Milo rechtte zijn rug, diep ademhalend. Hij voelde hoe hard hij over zijn hele lijf beefde en hoopte dat zo min mogelijk mensen het zouden opmerken.
De pianist maakte een uitnodigend gebaar naar de pianobank waarvan hij zelf net was opgestaan. “Welkom,” zei hij. En een stap opzij makend: “Succes.”
Het publiek joelde achter hem.
De onwerkelijkheid van de hele situatie drong langzaam maar zeker tot Milo door. Behalve dat het echt gebeurde allemaal. Hij deed even zijn ogen dicht, haalde weer diep adem.
Kom op, zei hij tegen zichzelf. Kom op. Doe wat je het beste kan. Speel gewoon. Leg ze het zwijgen op. Speel gewoon. Kom op.
Hij wankelde naar de piano toe, zichzelf vervloekend dat hij niet rechtop kon lopen, en schoof op de pianobank zonder nog naar de pianist te kijken.
“Hoe heet je?” vroeg de pianist. “Hé! Ik vroeg hoe je heette.”
“Milo,” antwoordde Milo, zijn ogen gericht op de toetsen van de piano. Hij probeerde zich te concentreren. Probeerde zich een stuk voor de geest te halen dat iedereen omver zou blazen. “Milo Stevens.” Giant Steps van John Coltrane. In C. Hij zou wat variaties improviseren, dan kon hij meteen zien hoe serieus hij het publiek hier moest nemen. Milo zuchtte in een poging meer lucht naar binnen te zuigen, deed weer even zijn ogen dicht. Hij was nog nooit zo nerveus en onzeker geweest voordat hij moest spelen.
“Dames en heren,” riep de pianist in de gereedstaande microfoon, “Milo Stevens!” Hij gaf Milo een onvriendelijke tik tegen zijn achterhoofd en verwijderde zich.
Milo bevochtigde zijn lippen met zijn tong en legde zijn handen op de toetsen. Op dat moment hoorde hij de stilte pas die er plotseling in de zaal was gevallen. Hij besefte dat ze wachtten; wachtten tot hij op zijn bek zou gaan.
Dan konden ze lang wachten.
Hij sloeg de eerste noten aan en wist onmiddellijk dat binnen een halve minuut zo’n beetje alle monden in de zaal open zouden vallen.

Geplaatst in Milo Morris, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Paard

profilepic_sEen tijdje gelden kwam ik het woord na een hele lange tijd weer eens tegen in de context waarin het ooit tegen mij werd gebruikt door kinderen (we voelden ons heel volwassen, maar als je een jaar of twaalf bent, dan ben je een kind toch?) die bij mij in de klas zaten. Het zat in een conference van één of andere Nederlandse grappenmaker, ik ben vergeten welke. Maakt ook niet uit. Het ging om een woord dat wel eens wordt gebruikt om een lelijk meisje aan te duiden: paard.

Natuurlijk vertelde ik tegen mensen in mijn omgeving dat kinderen in mijn klas me op dagelijkse basis uitmaakten voor ‘paard’, maar die mensen zeiden vervolgens tegen mij dat dit waarschijnlijk kwam doordat ik op paardrijles zat of iets dergelijks. Dus vertelde ik het uiteindelijk maar tegen niemand meer. En ik vertelde al helemaal niet tegen iemand anders hoe verschrikkelijk ik het vond. En al helemáál niet hoe lelijk ik mezelf begon te vinden.

Ja, sneu hè? Maar het is niet anders. Ik ging mezelf lelijk vinden omdat andere meisjes van mijn leeftijd me uitmaakten voor lelijk.

Er zijn ondertussen vele jaren voorbijgegaan, en in die vele jaren is er van alles en nog wat gebeurd. Ook een heleboel dingen waaruit ik ondertussen toch wel een beetje de bevestiging zou moeten hebben gehaald dat ik helemaal geen ‘paard’ ben. En om eerlijk te zijn, ik voel me volgens mij ook al een hele tijd geen ‘paard’ meer – dat dacht ik, tenminste. Maar toch: als de jongen waar ik op viel niet viel op mij, dan was mijn allereerste gedachte nog steeds: logisch, ik ben niet mooi genoeg. En, jawel, als ik nu iemand zie waar ik verliefd op zou kunnen zijn of worden, dan is het eerste wat ik tegen mezelf zeg: schei uit, hij kan veel knappere vrouwen krijgen dan jij.

Eerder deze week was het zover: ik ging mijn eerste echte aangemeten bril ophalen. Niet dat ik heel erg bijziend ben of iets dergelijks, maar soms heb ik (oké dan: hebben mijn ogen) een beetje hulp nodig (wat overigens helemaal niet zo raar is, want ik ben inmiddels dichter bij de vijftig dan bij de veertig). Omdat ik dat ophalen van die bril, exhibitionistisch als ik ben, een week eerder al aan had gekondigd op Facebook, met daarbij de belofte dat ik een foto zou plaatsen als ik mijn bril eenmaal op mijn neus had, maakte ik een selfie. Nou ja, ik maakte dertig selfies, en daarvan pakte ik de, ik zeg het even zo hard, wat mij betreft minst lelijke.

En toen kreeg ik de meest geweldige reacties.

Over dat ik mooi ben.

Hoe fucking oppervlakkig dat ook klinkt, ik moest echt huilen toen ik sommige commentaren las (onder mijn berichtje en privéboodschappen). Ja, ‘echte schoonheid zit van binnen’, ik weet er alles van. Maar je kunt je niet voorstellen wat het in mij losmaakte dat zo veel mensen, vrouwen en mannen, tegen me zeiden dat ik mooi ben. Want ze zeiden het ook tegen dat meisje van twaalf, dat zichzelf lelijk ging vinden omdat haar klasgenootjes zeiden dat ze een ‘paard’ was.

Vijfendertig jaar duurde het. Want wat er ook in de tussentijd allemaal is gebeurd, wat ik ook allemaal heb gedaan en gezegd en hoe ik me in de tussentijd ook heb gedragen, volgens mij durf ik nu dan eindelijk pas echt, heel diep in mijn hart, oprecht te gaan geloven dat ik echt niet lelijk ben. In ieder geval soms.

Geplaatst in Lief dagboek, Persoonlijk, Schrijfsels | Tags: , , | 2 reacties

Invloed

– Wat doen we met hem?
– Hij is ongevaarlijk.
– Dat besef ik. Maar wat doen we met hem?
– We hoeven niets met hem te doen.
[…]
– Ik geloof niet in lijdzaam afwachten.
– We wachten niet lijdzaam af. We laten hem doen wat hij doet. En we laten hem doen wat wij willen.
– En als hij merkt dat wij er zijn? Als hij in opstand komt?
[gelach]
– Denk je dat hij dat kan? […] Hebben we er ooit naast gezeten?
– De geest is een ongrijpbaar gegeven.
– En dat zeg jij?
– En jij.
– Geloof me. Hij is ongevaarlijk.
– Behalve voor hen.
[…]
– Precies. Behalve voor hen.

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Gedichten, Persoonlijk, Politiek, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen