Naderhand

Thuis na een feestje. Heel de weg naar huis hardop tegen mezelf zitten praten. Boos op mezelf. Boos op iemand anders.

Teleurgesteld dat niet alles zo was, niet alles zo ging, als ik wilde dat het was of ging. Terwijl ik helemaal niet weet hoe ik eigenlijk had gewild dat dingen waren of gingen.

Iemand zei tegen me dat ik me geen zorgen moest maken. Ik zei dat ik dat niet deed. En daarna was het stuk. De avond. Mijn gevoel. Alles. Ik werd zelfs chagrijnig van de alcohol. Vond dat ik minder had moeten zeggen. Dat ik iets anders had moeten zeggen. Dat ik niets had moeten zeggen.

Ik ruimde flessen en glazen van tafel terwijl gastvrouw en -heer de laatste gasten naar buiten begeleidden. Probeerde iets van de sfeer van eerder terug te pakken. Van voordat ik min of meer zei dat ik zeker wist dat hij me een beetje in de steek had gelaten, zoveel maanden geleden alweer.

Wat ik eigenlijk zei, wat niemand hoorde, was dat ik nog steeds vond dat hij me had verraden. En dat is niet fair, want niet waar. Maar het voelt soms nog wel zo. Nog steeds. Belachelijk. Maar toch.

Ik erger me. Want alle dingen waarvan ik me gewoonlijk in ieder geval een beetje beter ga voelen helpen vanavond helemaal nergens tegen. Of voor. Ik voel me moe en ziek en, wel, boos, dus. Allemaal dingen die ik niet zou moeten zijn. Allemaal dingen die ik niet wil zijn. Allemaal dingen die ik wel ben.

Soms is iets voelen gewoon klote. Simpel. Soms is een klein beetje iets voelen gewoon al veel te veel.


Geplaatst in Lief dagboek, Persoonlijk | Tags: , , , | 3 reacties

XCIX. Vriendin

Piano_s“Hoi,” zei Ricks vriendin, haar hand naar Milo uitstrekkend, “ik ben Sylvia.”
Milo keek haar aan en gaf haar een zo vriendelijk mogelijke glimlach. Haar hand pakkend zei hij: “Hi. Milo Morris.”
“Ik heb veel over je gehoord,” zei Sylvia.
Het lag op het puntje van Milo’s tong om een snedige reactie te geven. Iets van ‘wat een cliché, Sylvia’. Of ‘logisch, ik ben dan ook heel beroemd’. Of, snijdend, ‘ik geen woord over jou’. Allemaal heel onaardig. Dat vond hij zelf ook, dus hij zei niets, en glimlachte alleen maar.
“We wilden je niet meteen lastigvallen,” ging Sylvia verder. Het leek erop dat ze Milo’s zwijgen ongemakkelijk vond en stiekem vond hij dat geweldig. “We dachten dat je misschien alleen zou willen zijn met Rick. Of dat het onhandig zou zijn, nou ja, als er een vreemde was als je hier kwam.”
We wilden je niet lastigvallen, dacht Milo smalend. We dachten dat. ‘We’! Hij wilde vragen naar de uniseks jassen, en wanneer de hond zou worden aangeschaft. Of, godbetert, het kind. Er leek nog steeds iets klem te zitten in zijn keel. Onwillekeurig balde hij zijn vuisten.
Sylvia keek hem even in zijn ogen. “Als je het niet leuk vindt dat ik er ben ga ik gewoon weer weg hoor.”
“Niks,” zei Rick. Hij stond achter Sylvia, zodat Milo hem niet kon zien. “Hij zei zelf dat ik je moest bellen. Je bent hartstikke welkom. Toch, Milo?”
Milo hoorde dat hij scherp klonk en hij hoopte dat Sylvia hem minder goed kende dan Milo zelf. “Zeker,” zei hij. Hij deed zich extra moeite zacht en vriendelijk te klinken, om Rick te laten merken dat hij echt wel wist dat hij uitgedaagd werd. Hij keek Sylvia aan en glimlachte weer.
“Mooi zo,” zei Rick. Hij ging weer op de bank tegenover Milo zitten en pakte zijn gsm weer. “Dan bestellen we nu pizza.”
Milo keek hem aan, nog steeds glimlachend. “Je weet dat je een herstellende junkie niet te erg uit moet dagen, hè?” Hij klonk nog steeds zacht en vriendelijk, maar de manier waarop Rick hem aankeek vertelde hem dat hij had gehoord wat Milo bedoelde te zeggen.
“Je mag toch wel gewoon pizza eten?” vroeg Sylvia, zich naast Rick op de bank nestelend.
Milo deed even zijn ogen dicht. Hij haalde diep adem en zei toen: “Ja. Natuurlijk. Ik maak ook maar een grapje.” Zijn blik kruiste die van Rick weer en hij sloeg zijn ogen weer neer, want Rick was niet heel gelukkig met de manier waarop Milo zich uitdrukte en dat was duidelijk te zien aan hem.
Sylvia leek wat van de spanning te merken, want ze praatte vrijwel meteen verder: “Sorry, ik heb nog nooit te maken gehad met iemand die, eh, die, eh…”
“Met een herstellende junkie,” hielp Milo haar. Hij hoorde zijn eigen scherpe toon en keek weer even naar Rick, die hem nog altijd streng aankeek.
Wees toch niet zo’n lul, Milo. Zij kan het niet helpen.
Op het moment dat Sylvia hem ook aankeek, een beetje een schuldige blik in haar ogen, zei Milo: “Snap ik ook wel. Maak je niet druk.” Deze keer speelde hij zijn zachte en vriendelijke toon niet – tot zijn eigen schrik merkte hij dat hij haar toch een beetje op haar gemak probeerde te stellen. Terwijl hij helemaal niet aardig wilde zijn tegen haar; niet vanwege haar, maar vanwege Rick. Hij voelde dan ook meteen Ricks blik op hem branden, maar hij beantwoordde hem niet.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

XCVIII. Anders

Piano_sRicks huis zag er anders uit. Het viel Milo onmiddellijk op toen hij de gang in liep, maar in de woonkamer was het nog duidelijker te zien. Het was lichter. De gordijnen en lamellen waren open in plaats van halfgesloten. Er hingen glasgordijnen. Er waren foto’s aan de muur boven de plasmatelevisie. Er hing een reproductie van het schilderij De Kus van Gustav Klimt boven de haard.
Er woonde een vrouw bij Rick.
Milo voelde een steek door zijn bovenlijf gaan bij dat besef, een steek die zo scherp was dat hij even zijn ogen dicht moest knijpen. Hij slikte, omdat het ineens net leek of er iets in zijn keel zat, en nog eens, en hij was blij dat Rick naar de keuken was gegaan om koffie te zetten en zijn gezicht niet had gezien.
Er woonde een vrouw bij Rick. Een vrouw waar hij niets over had gezegd. Al die keren dat ze elkaar gesproken hadden, alle telefoongesprekken en bezoekjes die Rick had afgelegd aan de kliniek, de hele rit hierheen en geen woord over dat hij een vrouw tegen was gekomen die belangrijk genoeg was gebleken om mee samen te gaan wonen. Geen woord. En ze was er ook niet. Rick had haar gevraagd ergens anders naartoe te gaan. Zodat Milo haar niet zou hoeven zien.
Milo wreef een paar keer met zijn handen langs zijn wangen terwijl hij naar de fauteuil toe liep waar hij altijd in zat toen hij met zijn gebroken handen bij Rick in had gewoond. Sprak zichzelf toe: doe normaal, stel je niet aan, relax. Hij ging in de stoel zitten, deed even zijn ogen dicht en luisterde naar de geluiden die uit de keuken kwamen. Op het moment dat hij hoorde hoe Rick een lepeltje in een koffiekop liet vallen zei hij langs zijn neus weg: “Maar zeg eens…”
“Wat?” vroeg Rick, terwijl hij binnen kwam met twee koppen koffie.
Milo keek naar hoe Rick een kop koffie voor hem op de salontafel zette en sloeg zijn ogen neer. “Hoe heet ze?” Hij liet een stilte vallen, keek naar Ricks gezicht en voelde een vaag soort voldoening toen hij hem zichtbaar zag schrikken. Hij haalde diep adem en vervolgde: “Je vriendin?”
Rick antwoordde niet. Hij bleef over de salontafel heen gebogen staan, alsof hij iets moest bestuderen dat in de koffie te zien was die hij net neer had gezet.
Beseffend dat het niet heel aardig was wat hij deed zei Milo luchtig: “Was niet erg geweest hoor, als ze hier was. Jullie wonen toch samen?” Hij merkte dat Rick naar hem keek en er viel een korte stilte voordat Rick reageerde.
“Hoe weet je dit?”
Milo bevochtigde zijn lippen met zijn tong voordat hij antwoordde. “Ik zie het.”
Weer een korte stilte. Uiteindelijk keek Rick hem aan.
Milo schokschouderde nonchalant. “Ik ken je toch. Ik weet toch hoe je huis eruitziet.” Maar hij beantwoordde Ricks blik niet, want hij voelde zich helemaal niet nonchalant. Hij voelde zich verraden. En in de steek gelaten. En ineens heel erg eenzaam. Milo deed zijn ogen dicht, perste even zijn lippen op elkaar.
“O. Oké,” zei Rick. Hij probeerde zo normaal mogelijk te klinken maar slaagde daar absoluut niet in.
Milo hief zijn hoofd op, zag hoe Rick ging zitten, een slok probeerde te nemen van zijn koffie en zijn lippen brandde. Rick wist zich geen houding te geven, concludeerde Milo. Hij wist niet wat hij daarbij voelde. Nadat hij een hele tijd had gezwegen zei Milo uiteindelijk: “Misschien moet je haar gewoon even bellen. Het kan toch niet zo zijn dat jij haar het huis uit jaagt omdat je coryfee op bezoek komt?”
Rick keek naar hem op en ze keken elkaar heel lang aan, tot Milo zijn blik afwendde.
“Wil je dat echt?” vroeg Rick. Hij klonk alsof hij een andere vraag had willen stellen, een persoonlijkere, zelfs een liefdevollere, maar niet wist hoe.
Milo probeerde zichzelf tot de verantwoording te roepen. Hij probeerde tegen zichzelf te zeggen dat er niks veranderd was, en dat hij zich niet zo moest aanstellen. Maar het enige wat hij bereikte, was dat de pijn in zijn borst zich uitbreidde tot iedere keer dat hij ademhaalde zeer deed. Hij zuchtte en vervloekte zichzelf. “Ja man,” antwoordde hij na een tijdje, veel terloopser klinkend dan hij voor mogelijk hield.
“Milo. Kijk me aan.”
Milo vertrok verongelijkt zijn mond. Het duurde even voordat hij Rick ook daadwerkelijk aankeek.
“Weet je het zeker?”
Het kostte hem moeite zijn gezicht in de plooi te houden. Hij begreep zelf niet zo goed waarom hij het zo moeilijk vond dat Rick hem niet had verteld dat hij een vriendin had waarmee hij inmiddels samenwoonde. En waarom hij nu zo moeilijk deed over of ze er wel of niet was. “Natuurlijk,” zei hij. Hij vond dat hij behoorlijk ontspannen klonk.
Rick keek hem weer lang aan zonder iets te zeggen. Toen reikte hij naar zijn gsm, die voor hem op de salontafel lag. “Goed,” zei hij, naar een nummer scrollend in zijn contactenlijst. Terwijl hij het toestel tegen zijn oor hield keek hij weer naar Milo, en Milo wendde zijn blik weer af.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , | Een reactie plaatsen

XCVII. Buiten

Piano_sRick sloeg zijn armen om Milo heen en Milo deed zijn ogen dicht. Zo bleven ze een hele tijd staan, aan het einde van de gang die naar de hoofdingang van de kliniek leidde. Milo voelde zich een beetje nerveus, maar liet niets merken, behalve dat hij Rick stevig vasthield. Uiteindelijk was het Rick die zei: “Ben je er klaar voor?”
Milo deed zijn ogen open en knikte. “Ja.”
Samen liepen ze naar buiten.
Het miezerde.
Milo draaide zijn gezicht omhoog en liet de lichte regen neervallen op zijn gezicht. Het was fris en voelde als een streling. Pas na even hoorde hij dat Rick hem riep.
“Kom je?”
Milo keek naar hem terwijl hij de kofferbak van zijn auto dichtgooide, waar hij net Milo’s weekendtas in had gezet. “Ja,” zei hij afwezig. Hij liep de treden af naar de oprit en liep om de auto heen naar de bijrijderskant. Toen hij in de stoel was gaan zitten en het portier dicht trok voelde hij zich ineens heel erg verloren. Milo deed zijn ogen weer dicht en concentreerde zich op zijn ademhaling. Maar er was plotseling een soort lichte paniek in zijn buik die zich niet weg liet jagen.
Voor het eerst een weekend buiten de kliniek. Voor het eerst sinds tijden op een plaats waar hij zomaar naar buiten zou kunnen lopen, de straat op. Voor het eerst weer in een omgeving waar hij aan drank of drugs zou kunnen komen als hij echt wilde. Niet dat hij verwachtte dat hij dat zou willen, maar hij voelde zich ineens onbeschermd en klein.
Adem drie seconden lang in.
Adem zes seconden lang uit.
Rick stapte ook in en Milo opende zijn ogen weer, naar hem kijkend. Hij deed zijn gordel om op het moment dat hij Rick dat ook zag doen en richtte zijn blik toen op de bomen die het terrein omzoomden terwijl Rick de auto startte en optrok.
De wereld trok voor Milo te snel voorbij aan het autoraam en uiteindelijk sloot hij zijn ogen weer. Hij luisterde naar de muziek die uit de autoradio kwam en besloot dat hij niet anders kon dan een nieuw album maken, om tegenwicht te bieden aan de eenheidsworst die hij voorbij hoorde komen. Misschien zou hij wel een begin maken dit weekend, als Rick zijn keyboard nog steeds boven had staan van de periode dat hij bij hem had gewoond toen zijn handen kapot waren.
Hij probeerde zich voor te stellen dat hij weer in de studio zou zitten om een plaat te maken en merkte na even dat hij licht zijn hoofd schudde. Hij keek of Rick het op had gemerkt, en net toen hij dacht dat die niets had gezien vroeg Rick, met een korte blik opzij naar hem: “Gaat het?”
Milo deed weer even zijn ogen dicht en keek daarna naar de weg voor hen. “Weet ik niet,” zei hij, terwijl hij eigenlijk niks had willen zeggen. “Het voelt raar, daar weg zijn.”
Rick knikte, maar zei niets terug.
“Ik moest er daarnet aan denken dat ik zomaar weg zou kunnen lopen dit weekend,” zei Milo, verrast over wat hij zei omdat hij opnieuw zijn mond had willen houden. “Hoe vrij ik ben. En dat voelt, eh. Dat voelt vreemd.”
“Ik laat je niet weglopen,” zei Rick.
Milo keek naar hem maar kon niet uit zijn toon of gezichtsuitdrukking opmaken of hij een grapje maakte of bloedserieus was. Na een tijdje vroeg hij: “Wat gaan we doen dit weekend?”
“Dat wilde ik aan jou vragen.”
Milo haalde diep adem. Hij bedacht dat hij uit eten wilde, maar op hetzelfde moment bedacht hij dat hij bang was voor paparazzi en speculaties in de pers als hij ergens in het openbaar zijn gezicht zou laten zien. Misschien was het wel goed om niemand te zien. “Ik had gehoopt dat jij eindelijk eens zou bewijzen dat je echt zo goed kan koken,” zei hij zo ontspannen mogelijk. Hij vond dat hij vrij normaal klonk en dat luchtte hem op.
Rick grijnsde. “Ik wilde eigenlijk pizza laten komen.”
“Lamzak.”
Ze lachten beide.
“Wil je de jongens zien?” vroeg Rick na even.
Het klonk luchtig, maar Milo voelde wat het betekende. Hij zweeg even en antwoordde uiteindelijk: “Weet ik nog niet. Ik moet even kijken hoe ik me voel.” Hij zuchtte diep, schrok ervan dat hij dat deed, sloeg zijn ogen neer. “Ik wil geen therapeutische sessie dit weekend, snap je.” Vanuit zijn ooghoek zag hij Rick weer knikken. “Ik lul al zoveel over mezelf.”
“Het gaat erom wat jij wilt,” zei Rick na even.
Milo hoorde vooral wat hij niet zei. “Wat willen zij?”
Rick glimlachte. “Weten of je muziek wilt maken.”
“Daar wil ik het wel over hebben,” zei Milo. “Maar eerlijk gezegd eerst even alleen met jou.”
“Prima.”
Milo deed zijn ogen helemaal dicht en legde zijn hoofd achterover. Het kriebelige, nerveuze gevoel in zijn buik trok een beetje weg. Het zou vast nog wel helemaal overgaan, vertelde hij zichzelf.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , | 4 reacties

Appie

“Als hij bijkomt zou hij niet meer kunnen denken, eten, praten, lopen, zelfs waarschijnlijk niet eens iemand herkennen. Niet meer functioneren gewoon.”

appie

Vanmiddag vertrok ik rond halfvijf van mijn werk. Ondanks dat ik minder dan vijf kilometer van kantoor woon, en het geweldig mooi weer was om te gaan fietsen, was ik met de auto gekomen. Want ik was pissig. Omdat ‘ze’ mijn parkeerautorisatie vanaf 1 oktober gaan intrekken, omdat mensen die verder van kantoor verwijderd wonen die beter kunnen gebruiken dan ik. Ik heb die autorisatie, en wie zijn jullie wel niet om middenin het jaar te beslissen dat iemand anders die meer nodig heeft dan ik? Balen deed ik toen ik dat bericht hoorde. Mijn parkeerautorisatie was binnen zes maanden een verworvenheid geworden die ik niet meer af wilde staan. Ik zou vanaf nu elke bloody dag met de auto komen, al was het nog zo’n stralend weer. Zo.

Een reden dat ik eerder wegging van kantoor was dat ik mijn auto door een wasstraat wilde laten rijden omdat hij zo smerig was. Omdat ik hem een tijd niet gewassen had, en omdat het van de week zo hard had geregend dat de modder tot aan de raampjes omhoog was gespat. Ik heb een witte auto. Nu wit met zwarte stippen. Dat moest schoon. Dus reed ik naar de wasstraat waar ik elke zoveel weken naartoe ga. Om erachter te komen dat die dicht was. Een verbouwing. Nee hè. Moest ik weer terug, naar de andere kant van de stad, om daar een andere wasstraat te bezoeken! In mijn witte auto zat ik te mokken als een klein kind.

Ruim drie kwartier later dan gepland was ik thuis, waar ik mijn terrasdeuren openzette en tegen mijn om mijn heen drentelende kater Daley foeterde: “Ja schatje, nou is vrouwtje veel later thuis omdat de wasstraat dicht was.” Wijn zou ik drinken straks. Dat zou de wereld leren tegen mij te zijn. Grr, grr, grr. Wat was ik verongelijkt.

Toen ik even later onder een weldadig hete douche stond sloeg de relativering ineens toe. Waar ben je nou mee bezig, verwende vrouw? Wees verdomme blij dat je een auto hébt om door de wasstraat te rijden. Is er ook maar iets wat jij wilt hebben, wat je niet hebt? Nou dan. Fucking nou dan!

Abdelhak Nouri is pas twintig jaartjes jong. Een kind nog. Zo jong dat hij mijn kind had kunnen zijn. Een jongen die enorm genoot van een simpel spelletje dat voetbal heet. Een jongen die ervoor zorgde dat andere mensen konden genieten van dat simpele spelletje. En dat is over. Helemaal over. Afgelopen zaterdag zakte hij tijdens een vriendschappelijk potje voetbal in elkaar op een veld in Oostenrijk, omdat zijn hart hem in de steek liet. Zijn hersenen liepen een zuurstoftekort op dat verschrikkelijke gevolgen heeft; vanmiddag werd bekend dat een groot deel van zijn hersenen niet meer functioneert en dat de kans op herstel van deze cruciale hersenfuncties nul is.

Er wordt gebeden en gezongen voor hem. Rivaliserende clubs maken mooie gebaren in de vorm van foto’s en ontroerende acties via sociale media. “Maar ja,” zei Abdelhaks broer, Abderrahim. “Iedereen had hem eerst nog doelpunten willen zien maken.”

Goden, ik zou op dit moment alleen al willen dat het hem een normaal leven gegeven was. Een leven van een jongen van twintig jaar, die woont in Amsterdam, in Geuzenveld, die weleens een balletje trapt. Met vrienden, of samen met zijn broer. Op een veldje, of tegen een muur. Een leven waarin hij zich misschien gewoon alleen maar druk zou kunnen maken om dingen als parkeerautorisaties en wasstraten.

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Lief dagboek, Media, Nieuws, Persoonlijk, Schrijfsels, Sport | Tags: , , , , , , | 2 reacties

XCVI. Piano

vintage piano_sHet regende die morgen alweer pijpenstelen. Milo voelde zich neutraal en dat was het beste wat hij kon wensen, want heel veel dagen dat hij zich hier veel meer dan waardeloos had gevoeld waren er tot dusverre nog niet geweest.
Hij douchte zich, kleedde zich aan en ging naar beneden, naar de zitkamer. Zoals elke dag was hij de enige; de meesten slaagden erin langer te slapen dan hij en als ze opstonden, dan gingen ze vaak direct naar de eetkamer voor het ontbijt. Milo wachtte meestal tot iedereen zijn plekje had gevonden en schoof dan geruisloos aan een hoekje van één van de tafels waaraan Bobbie een plaatsje voor hem vrij hield.
Maar er was iets anders vanmorgen.
Bij het raam in de zitkamer, waar Milo ’s morgens zijn stoel neerzette om naar buiten te staren tot iedereen wakker was, stond het donkere silhouet van een piano. Milo voelde hoe zijn adem stokte in zijn keel en hij kon een moment niet bewegen, zodat hij ademloos bleef staan in de brede deuropening die de zitkamer met de eetkamer verbond.
Het was een prachtige, brocante, oude Schuppe 130, lichtgrijs gespoten, met een pianobank in dezelfde kleur.
Toen het Milo lukte weer adem te halen liep hij naar het instrument toe. Voorzichtig. Alsof het een ree was dat weg zou rennen als hij het te snel benaderde. Op een meter of twee afstand bleef hij weer staan, buiten adem, licht in zijn hoofd, trillend op zijn benen. Hij voelde vlinders in zijn buik en zijn vingers tintelden. Zijn vuisten ballend deed hij nog een stap naar de piano toe. En nog één. Tot hij geruisloos en behoedzaam op de pianobank kon gaan zitten.
Zijn vingertoppen streelden de in het hout gesneden krullen op het bovenpaneel van de hoge kast.
Misschien wel al een eeuw oud.
Milo deed zijn ogen dicht, liet zijn handen over het deksel glijden dat de toetsen beschermde alsof hij een kat streelde. Terwijl hij naar zijn handen keek tilde hij de lessenaar omhoog, zodat het klavier zichtbaar werd.
Met ivoor belegde toetsen.
Heel zachtjes, alsof de piano niet mocht merken dat hij werd aangeraakt, liet Milo zijn vingertoppen over de gladde toetsen van het klavier glijden.
Bespeel me. Toe dan.
Milo kneep zijn ogen dicht. Hij hoorde zichzelf snikken maar deed zich geen moeite zijn tranen te bedwingen.
Wat ben je mooi. Wat ben je mooi!
Zijn vingers gleden langs alle naden en randen van de piano, langs de voorkant van de toetsen, één voor één over de zwarte toetsen. Toen drukte hij met zijn voet zachtjes de linkerpedaal van de piano in en hij sloeg heel voorzichtig een hoge octaaf aan.
Het geluid was delicaat en kristalzuiver.
Milo legde zijn hoofd tegen het bovenpaneel van de piano alsof hij zijn hoofd te rusten legde bij zijn moeder en huilde een hele tijd. En daarna speelde hij. Omdat hij niet anders kon. Omdat het hem bevrijdde zoals niets anders in de wereld hem ooit zou kunnen bevrijden.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | 4 reacties

XCV. Precies

Piano_sIemand in de groepstherapiesessie had hem gevraagd wanneer hij weer een plaat zou opnemen en Milo was compleet dichtgeklapt op die vraag. Hij had de hele sessie verder geen woord meer gesproken, ook niet toen hem andere vragen werden gesteld, en alles wat hij het afgelopen uur had gedaan was in een stoel voor het raam van de zitkamer naar de tuin kijken, waar de zon voor het eerst sinds tijden scheen en een paar van zijn collega-patiënten stonden te roken.
“Leg het me eens uit,” zei een stem achter hem ineens. Bobbie trok een stoel naast die van Milo en ging bij hem zitten. “Je zegt dat je geen muziek meer wilt maken maar je bent er doodongelukkig onder. Waarom loop je zo weg van jezelf?”
“Hou op,” zei Milo, zonder naar Bobbie te kijken.
“Ik ben gewoon benieuwd.”
“Laat die vragen over aan Odette,” gromde Milo.
“Ik ben niet bij jouw gesprekken met Odette,” zei Bobbie. “Maar ik wil het wel weten.”
Milo zweeg, maar boog wel zijn hoofd.
“Oké dus beginnen over muziek is dé manier om ervoor te zorgen dat jij je bek weer gaat houden.”
Inderdaad, dacht Milo opstandig. Hij bedacht dat hij misschien wel zou blijven zwijgen nu iemand was begonnen hem vragen te stellen over zijn muziek. Misschien zou hij wel zwijgen tot hij weer naar huis ging. Hij perste zijn lippen op elkaar.
Bobbie liet zich niet vermurwen. “Welk instrument bespeel je eigenlijk?”
Milo deed even zijn ogen dicht en keek toen weer naar de tuin. Na een hele lange tijd antwoordde hij: “Piano. Gitaar. Drums.” Hij zuchtte diep. Nadat hij uitgebreid met zijn handen langs zijn gezicht had gewreven vulde hij aan: “Bijna alles met snaren. Bijna alles met toetsen.” Hij schokschouderde. “Best wel een paar, denk ik.”
“En daar wou je nooit meer wat mee doen?” Bobbie klonk zowel geschokt als geamuseerd als uitdagend.
Milo antwoordde niet.
“Daar snap ik dus geen donder van.”
Milo maakte een onduidelijke beweging met zijn hoofd.
“Dus als hier een piano zou staan, dan…” Met een handbeweging nodigde Bobbie Milo uit de zin af te maken.
“Dan zou hier een piano staan,” zei Milo koel.
“En jij zou dat ding met geen vinger aanraken.”
Geïrriteerd keek Milo opzij. “Precies.”

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen