Parkeerplaats

lege-parkeerplaats_1127-3298Op een parkeerplaats langs een provinciale weg stond ik. Ik zat in de auto en de zon scheen uitbundig door de voorruit. Met mijn zonnebril op en de raampjes van de beide voorportieren open was het heerlijk om hier even zo te zitten en niets te doen.

Maar liever stond ik hier niet, tenminste, niet op de manier waarop ik hier stond. Want ik was gestopt op deze parkeerplaats, maar zeven kilometer van mijn huis af, omdat ik even niet verder kon rijden.

Eerder die dag had ik tegen een groep mensen verteld dat ik niet langer deel uit zal maken van die groep. Omdat ik een andere richting op ga. Een richting die beter bij mij past, een richting die ik mezelf veel meer gun dan de richting die de stress opleverde die ik in de afgelopen maanden heb ervaren. Ik zei dat ik ruimte nodig had voor mezelf. En ook dat ik nog niet precies wist wat ik nu zou gaan doen. Het enige wat ik zeker wist, was dat ik hier niet langer thuishoorde.

Daarna dronk ik een grote kop latte macchiato met een flinke scheut vanillesiroop erin. En ik schreef wat in mijn dagboek. En ik begon mezelf af te vragen waarom ik niet opgelucht was. Of blij. Ik schreef: “Ik zou me denk ik bevrijd moeten voelen, maar dat voel ik me niet.” En daarna stapte ik in mijn auto en ging ik naar huis.

Om zeven kilometer voor mijn bestemming te stoppen op een parkeerplaats omdat ik geweldig moest huilen.

Afscheid nemen van iets valt blijkbaar altijd zwaar. Zelfs wanneer je er zelf van overtuigd bent dat de tijd voor afscheid onherroepelijk is gekomen.

Advertenties
Geplaatst in Bericht, Filosofie, Lief dagboek, Persoonlijk, Schrijfsels | Tags: , , | 12 reacties

Iets nieuws

Luca bevochtigde zijn lippen met zijn tong, een paar keer, maar de vraag die hij wilde stellen ging niet weg, hij nadere op z’n hoogst steeds meer, tot hij bijna vanzelf uit Luca’s mond viel. Het was een vraag die hij niet wilde stellen, een vraag waardoor hij dingen in gang zou zetten, een vraag waardoor hij niet meer terug zou kunnen en die toen inderdaad zomaar ineens van zijn lippen rolde: “En ben je nu verliefd?”
Douglas’ ogen brandden op Luca’s gezicht. Luca wenste dat hij zijn blik af zou wenden, maar dat deed hij niet. Hij wachtte lang met antwoorden, alsof hij hoopte dat Luca hem aan zou kijken, maar uiteindelijk zei hij onomwonden: “Ja. Heel erg.” En hij streelde bijna onopvallend, maar een fractie van een moment, vederlicht met zijn wijsvinger langs Luca’s rechterhand.

Doorgaan dan maar…?

Geplaatst in Bericht, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | 4 reacties

CLXVI. Goed

jazzpianoOp de schouw middenin de woonkamer stonden twee prijzen die Milo tijdens zijn afwezigheid had gekregen, in ontvangst genomen door respectievelijk Rick en de jongens van zijn band. De eerste was een publieksprijs die Milo toegekend had gekregen op basis van zijn liveoptredens, de tweede een award voor beste jazzalbum van het jaar, waar muzikanten van over de hele wereld voor hadden gestemd.
Op beide was hij waanzinnig trots. En vanwege beide was hij waanzinnig verdrietig. Hij hield niet van awarduitreikingen, maar hij had beide prijzen best graag zelf in ontvangst willen nemen. Hoewel het ook onuitsprekelijk veel voor hem betekende dat Rick, Fletcher, Tom en Jesse de prijzen namens hem hadden opgehaald. En ze persoonlijk bij hem langs hadden gebracht op de dag dat hij weer thuiskwam uit rehab.
Het waren de eerste prijzen die hij had gewonnen sinds het begin van zijn carrière. Het waren bevestigingen van zijn talent en muzikale vermogen. Het waren bewijzen van wat hij echt was. Van het deel van zijn persoonlijkheid waar hij in geloofde, waar hij zich niet voor schaamde, waar hij gelukkig mee kon zijn.
Met zijn handen op de toetsten van de vleugel keek Milo rond in zijn woonkamer, terwijl hij zich niet probeerde af te vragen hoe lang het geleden was dat hij hier de laatste keer had gezeten, aan de piano van zijn moeder. Zijn ogen sluitend drukte hij een aantal van de toetsen in om een akkoord te spelen, en terwijl de klank wegstierf en de snaren van de vleugel natrilden kneep hij zijn ogen met een zucht stevig dicht.
Maanden. Maanden had hij hier niet gezeten. Maanden had hij niet gespeeld op de piano van zijn moeder.
Maanden was hij weggeweest, eerst dronken en stoned en high aan de andere kant van de wereld, en daarna gebroken en aan het einde van zijn latijn in een afkickkliniek. Hij herinnerde zich dat hij zo veel en hard had gehuild dat hij dacht dat hij geen tranen meer over zou houden voor de rest van zijn leven. Maar goed, hij had al vaker gedacht dat hij geen tranen meer over zou hebben. En er waren er toch altijd meer.
Zoals nu.
Hij deed zijn ogen open en ze liepen onmiddellijk langs zijn wangen.
“Hé,” zei Bobbie. Ze was ineens in de kamer en vlak bij hem en legde haar hand op zijn schouder.
Milo fabriceerde een glimlach zonder naar haar op te kijken. “Het is niks,” zei hij. Zijn stem klonk vaster dan hij had verwacht. “Ik bedacht hoeveel ik moet oefenen om weer op mijn eigen niveau te komen, dat is alles.” Ter illustratie speelde hij een volgend akkoord, alleen nu opzettelijk vals. Toen hij opkeek naar haar gezicht zag hij dat ze grijnsde. Hij grijnsde ook. Een ogenblik later leunde hij tegen haar aan en deed hij zijn ogen weer dicht. Zachtjes streelde ze zijn gezicht. Dat duurde een hele tijd. Uiteindelijk fluisterde Milo: “Fijn dat je er bent.”
“Fijn dat ik je weer heb,” fluisterde ze terug.
Milo voelde zijn hart zo sterk opzwellen dat het pijn deed.
Tegelijkertijd kon hij niet geloven dat hij opnieuw op zijn pootjes terecht zou komen, misschien wel beter dan eerder. Dat hij zo veel geluk had steeds. Dat de mensen waarvan hij hield niet wegliepen bij hem, hoe hard hij daar ook zijn best voor deed. Dat hij opnieuw een soort van sprookjeseinde aangeboden kreeg, nu zelfs compleet met prinses om lang en gelukkig mee te leven.
Milo beet op zijn lip, hoorde zichzelf zuchten, en nog eens. Hij wilde niet fatalistisch zijn, maar het was een deel van hem. Hij twijfelde, natuurlijk twijfelde hij. Terwijl alles open lag voor hem, terwijl alles binnen handbereik leek; ook weg blijven van drugs en alcohol, zelfs liefde, verdomme, zelfs echte, warme, veilige liefde.
Het duurde even voordat hij zeker wist dat hij niet hardop had gezegd wat hij dacht, terwijl hij de vraag eigenlijk ook wel aan Bobbie wilde stellen, omdat zij misschien wel gewoon eerlijk tegen hem was en een antwoord zou geven waarmee hij vrede zou kunnen hebben, al was het maar voor vanavond.
Is dit goed?
Milo Steven Morris, is dit echt zo goed als het lijkt?

[EINDE] [Ja, echt!]

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | 9 reacties

Koning(in) klant

onlineAls ik een kwartje (ja, zo oud ben ik, het kwartje is in mijn geheugen nog steeds in leven) kreeg voor elke keer dat ik bij een winkel te horen kreeg dat ik datgene waarvoor ik naar de betreffende winkel ben gekomen online kan bestellen, omdat het artikel niet op voorraad is in de winkel, dan had ik… nou ja, dan was ik niet rijk, natuurlijk niet. Maar dan kon ik inmiddels wel ergens lekker uitgebreid gaan lunchen. Of iets dergelijks.

“Ja,” zei de verkoopmedewerker van HiFi Klubben in mijn thuisstad Tilburg eerder vandaag tegen me. “Maar dat begint bij jullie.”

‘Jullie’, dat zijn wij, de klanten. Wat deze jongeman impliceerde was dat klanten zo’n beetje alles online doen, en daardoor niet meer in de winkel komen, waardoor zij nooit meer iets op voorraad kunnen hebben omdat er niemand in de winkel komt om iets te kopen. En dat wij het dus zelf schuld zijn als we iets niet kunnen krijgen. Dan moeten we maar niet altijd alles via het internet bestellen.

Iets in mij wilde op dat moment ontzettend met deze jonge verkoper in discussie hierover. Maar ik zei alleen maar dat het een beetje een geval was van wie er eerder was, de kip of het ei. Daar was hij het niet mee eens. Het is de schuld van de klant.

Enige tijd geleden vervoegde ik me bij een tuincentrum in de buurt, waar ik al jaren houtkorrels koop voor in de kattenbak. Al jaren. Nu was de afdeling waar de dierbenodigdheden liggen net opnieuw ingedeeld, dus ik moest even op zoek naar de zakken kattenbakvulling, die uiteindelijk aan de andere kant van de afdeling in een veel groter en beter toegankelijk rek bleken te liggen. Jammer genoeg vond ik daar niet wat ik zocht. Er lagen geen zakken meer bij met houten kattenbakkorrels.

Er was een winkelmedewerker in de buurt die ik besloot aan te spreken en ik vroeg haar of ik wel goed had gekeken, of dat het artikel dat ik zocht er niet was. “Nee,” antwoordde ze, “dat klopt. Die zijn er niet meer.” Wel in andere vestigingen, schijnbaar, maar niet hier. Ik kon ze online bestellen, als ik wilde. Het mooiste moest toen nog komen. Want ze raadde me aan het product ergens anders te bestellen dan bij het betreffende tuincentrum. Daar kocht zij ze zelf ook, want daar waren ze goedkoper.

Maar klanten zoals jij en ik zijn dus blijkbaar de schuldigen in deze. Kom je weer eens in een winkel waar ze het product dat je zoekt niet op de plank hebben liggen, en waar je weer eens aangeraden wordt het dan maar online te proberen? Dat ligt niet aan de winkel, of aan retailers in het algemeen. Dat ligt aan ons, de klanten. Aan de klanten die naar winkels toe komen en daar nul op het rekest krijgen omdat het artikel er niet is. En die dan wordt aangeraden het artikel maar via het internet te bestellen.

Ja, dat vind ik een raar verhaal. Ik vind dat krom.

Afijn, vandaag ging ik naar een andere winkel, waar het artikel dat ik wilde hebben gewoon wel voorradig was, en ruim een uur later dan mijn bedoeling was sloot ik mijn nieuwe blu-rayspeler aan. Het werkt allemaal als een zonnetje. Hartstikke fijn.

Ga ik ooit nog eens een artikel kopen in een winkel? Natuurlijk wel. Dat vind ik namelijk leuker dan ik online iets kopen. (Maar waarschijnlijk niet bij HiFi Clubben…!)

Geplaatst in Bericht, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

CLXV. Vliegveld (2)

pianokeysMilo’s hoofd zoemde van de lange reis, de alcohol die hij tot een half uur geleden in ruime hoeveelheden had gedronken en de overblijfselen van de kalmeringstabletten die hij had genomen. Hij bereikte min of meer strompelend de viplounge van de vliegmaatschappij waarmee hij zojuist was geland en viel neer in een lage leren fauteuil, zijn ogen al gesloten voordat zijn lijf de kussens raakte, zijn gsm in zijn hand geklemd zodat hij het toestel onmiddellijk tot zijn beschikking zou hebben als er een berichtje van Rick binnen zou komen.
Vreemd genoeg was hij in het vliegtuig ineens door best veel mensen herkend, alsof hij een soort masker had afgezet nu hij had besloten weer naar huis te komen. In de eerste klasse, waar hij had gezeten, had hij zijn naam horen vallen, waardoor hij alleen maar dieper in zijn stoel was gekropen en zijn jas alleen maar verder over zijn gezicht had getrokken.
Hij was blij dat hij weer alleen was.
En hij was kapot. Gebroken. Bijna verlammend blij dat hij weer thuis was en oneindig verdrietig dat hij überhaupt weg was gegaan. Het lukte hem niet zichzelf niet te haten om het feit dat hij al die alcohol en al die drugs tot zich had genomen. Hij probeerde niet te bedenken of vrienden hem nog wel wilden zien. Wat ze van hem dachten nu. Wat Bobbie van hem dacht.
Milo voelde tranen langs zijn gezicht lopen maar deed zich geen moeite ze te verbergen of weg te vegen.
Hij vond zichzelf een lafaard. Een lafaard die zich verborg achter bravoure en boosheid, die vluchtte in diepe bedwelming en letterlijk naar de andere kant van de wereld als het erop aan kwam om liefde te ontvangen.
O god, wat wilde hij graag in staat zijn liefde te ontvangen. Maar hij was er zo bang voor. Hij was er zo bang voor dat Bobbie erachter zou komen wie hij echt was en hem dan niet meer leuk zou vinden dat hij liever weg was gelopen om te drinken, drugs te gebruiken en seks te hebben met ontelbare andere mensen. Nu kon ze hem niet meer willen. Ze kon hem nooit meer willen.
Milo luisterde naar zijn eigen ademhaling, oppervlakkig, raspend, soms snikkend zonder dat er tranen uit zijn ogen kwamen.
Wat hij nu moest doen wist hij niet. Hij wist niet hoe hij ervoor moest zorgen dat hij van de drugs en de alcohol af zou blijven. Hij wist niet of hij contact met zijn vrienden op moest nemen, en of ze dat überhaupt op prijs zouden stellen. Hij wist niet of hij ooit zelf nog maar moest proberen bij Bobbie aan te kloppen. Hij wist alleen dat hij niet meer kon verbergen wie hij was, zelfs al wilde hij het graag.
Iemand raakte hem aan, eerst zijn schouder, daarna zijn bovenarm, daarna zachtjes zijn gezicht.
Milo deed zijn ogen open. Zijn oogleden leken aan elkaar te plakken, zoveel moeite moest hij zich doen, en in eerste instantie zag hij alleen een goudkleurig verlichte mist waarin hij in de verte een gezicht kon ontwaren. Hij knipperde met zijn ogen als in slow motion, haalde zuchtend adem. Uiteindelijk begonnen zijn ogen voorzichtig te focussen, totdat hij echt iets zag. Zijn lippen vormden geluidloos haar naam nog voordat hij haar echt had herkend. Degene die gehurkt zat naast de fauteuil waar hij even eerder half bewusteloos in neer was gestort was niet Rick. Het was Bobbie.
Er kwam geen enkele gedachte bij hem op toen hij in haar ogen keek. Maar hij voelde iets wat hem totaal overdonderde. Een overweldigende golf van opluchting. Milo was bang dat zijn borst ervan zou barsten, zo gigantisch was het, zo abnormaal hard en groot. Hij hoorde zijn ademhaling veranderen van zuchtend in snikken, en zijn gezicht werd alleen nog natter van de tranen, en hij boog zich naar haar toe, en hij liet zich door haar in haar armen sluiten en hij huilde, huilde, huilde.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

CLXIV. Vliegveld

pianokeysDe gsm die Milo zojuist bij een telefoonwinkel op het vliegveld had gekocht ging onmiddellijk aan en Milo bleef op het scherm kijken of hij al verbinding had terwijl hij in de richting van de gate liep. Op het moment dat het toestel contact maakte met het netwerk toetste hij Ricks nummer in.
Het duurde een hele tijd voordat er werd opgenomen. “Hallo?” Slaperig.
Milo probeerde terug te rekenen hoe laat het nu was bij Rick, maar hij was nog te erg naar de knoppen en hij gaf het vrijwel onmiddellijk op. “Rick.”
“Milo!” Onmiddellijk niet meer slaperig, maar klaarwakker. “Waar ben je!”
“Ik kom naar huis.” Milo wilde zich groot houden, maar het lukte niet en hij barstte in tranen uit. Sterker, hij snikte ineens zo hard dat hij niet meer verder kon lopen. Langs de ruit van een winkel in de terminal liet hij zich op de vloer van het vliegveld zakken. Half fluisterend zei hij nog eens: “Ik kom naar huis.”
“Wanneer? Ik haal je op, ik kom naar je toe.”
“Ik weet niet wanneer ik er ben,” snikte Milo. “Ik moet nog een keer overstappen denk ik. Ik weet het niet.”
“Gaat het wel goed met je?”
“Nee,” huilde Milo. “Ik heb een terugval gehad. Ik ben stoned.”
“Wat heb je genomen?”
Milo besloot aan te nemen dat Rick bedoelde wat hij nu had genomen, niet wat hij allemaal had genomen sinds zijn terugval was begonnen. “Clonazepam,” antwoordde hij. “Omdat,” hij hapte naar adem, “ik high was,” hij maakte zijn zin bijna onhoorbaar fluisterend af, “van de speedball.” De drug die hij in de afgelopen twee maanden het meest van alle tot zich had genomen. Tenminste, hij dacht dat het twee maanden was. Misschien korter. Of langer. Wat dan ook. Milo kneep zijn ogen dicht.
Als Rick al boos of teleurgesteld of bezorgd was liet hij het niet merken. Hij viel niet eens stil maar vroeg rustig: “Moet je met het vliegtuig?”
“M-mm,” deed Milo. Hij voelde zich zo klein. En ongelofelijk dom.
“Heb je nog drugs bij je?”
“Nog twee clonazepam,” fluisterde Milo. Voor als hij een paniekaanval zou krijgen op een volgend druk vliegveld. Alle andere rommel had hij weggespoeld in het toilet voordat hij naar het vliegveld was vertrokken. Nu wilde hij dat hij wat cocaïne had gehouden, dat had hem geweldig kunnen helpen op dit moment.
“Geen alcohol meer drinken nu,” zei Rick. Hij klonk ongelofelijk helder en kalm, helemaal voor iemand die zojuist middenin de nacht uit zijn bed was gebeld door zijn verloren gewaande protegé die hij al weken niet meer had gesproken, en bovendien te horen had gekregen dat die zich weer te buiten was gegaan aan drugs.
“M-mm,” deed Milo weer. Maar hij wist nu al dat hij wodka zou bestellen zo gauw het toestel in de lucht was en de stewardess hem zou komen vragen of ze wat te drinken voor hem kon inschenken.
“Zoek uit hoe laat je er bent,” zei Rick. “En laat het me weten. Ik kom je halen. Oké?”
Milo reageerde niet, vooral omdat hij opnieuw heel hard begon te snikken.
“Oké? Milo?” drong Rick aan.
“O-oké,” fluisterde Milo hakkelend.
“Ga je vlucht halen.”
Milo snikte weer.
“Milo. Ga je vlucht halen. En laat het mij weten als je weet hoe laat je hier bent. Goed?”
“Goed,” huilde Milo zachtjes.
“Ik hou van je.”
Milo drukte zijn vrije hand tegen zijn gezicht. Zachtjes: “Misschien moet ik weer naar rehab.”
“Daar hebben we het wel over als je weer hier bent.”
Fluisterend: “Ik wil niet naar rehab.”
“Sst. Nu niet, Milo. We hebben het erover als je weer hier bent.” Even stilte. “Oké?”
“Oké.”
“Ga je vlucht halen nu.”
Milo knikte maar zei niets.
“Milo?”
“Ja,” zei hij zachtjes. Hij wilde ophouden met huilen maar het lukte niet.
“Ga je vlucht halen. Kom. Bel me als je weet hoe laat je hier bent.”
Nog eens, nog altijd zachtjes en snikkend: “Oké.”
“Bel me.”
“Oké.”
Een hele tijd nadat Rick had opgehangen zat Milo nog met de gsm tegen zijn oor gedrukt op de grond te huilen. Niemand schonk aandacht aan hem.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Olifantjes

Toen ik eerder vandaag even op de weg was in mijn stadje Tilburg kwam ik een laatste vrachtwagen tegen van een kermisexploitant die op de Tilburgse Kermis had gestaan. Wellicht zo’n beetje de laatste die de stad verliet, nadat de kermis afgelopen zondag, 28 juli, met een wervelende show en spetterend vuurwerk in de Piushaven werd begraven. Het was een vrachtwagen van een kinderattractie die over het algemeen Jumbo heet, omdat het een draaimolen is met op Dombo lijkende olifantjes in alle kleuren van de regenboog.

jumbo

Vooral die olifantjes zag ik. Ze stonden netjes op een rijtje op de vrachtwagen, vrolijk omhoog gebogen slurfjes met een lief glimlachje eronder allemaal dezelfde kant uit. En ik moest ineens huilen.

Niet uit het niets, hoor. Ik moest huilen omdat het raakte aan mijn gevoel van verlies en afscheid nemen, een gevoel dat de laatste weken heel dicht bij me is, maar toch nog steeds net ver genoeg weg om niet helemaal gevoeld te worden. En die schattige, gekleurde olifantjes, die hakten er middenin.

Tranen met tuiten.

Al een paar dagen voel ik me wat ongemakkelijk en onstabiel. Een vriendin zei dat dit komt doordat mijn vakantie is afgelopen, maar daar ligt het niet aan. Ik moet afscheid nemen. Ik moet afscheid nemen van iets wat ik al meer dan tien jaar doe. Mijn werk, of in ieder geval het landschap waarin mijn werk zich bevindt, past niet meer bij mij. Te veel cijfertjes en resultaten, te weinig mensen en inhoud. Dus moet ik bedenken wat ik wil.

Dat heeft allemaal geen haast, tenminste, nog niet. Maar het zit niet zo ver onder de oppervlakte hoor, dat gevoel dat ik afscheid moet nemen van iets wat toch meer dan tien jaar, en misschien ook al veel langer, deel uitmaakte van mijn identiteit.

Natuurlijk gaat het erom dat je dingen doet die bij je passen, in een omgeving waar je je thuis voelt. Dat hoef je me niet te vertellen, dat vertel ik zelf regelmatig aan anderen. En natuurlijk ben ik daarnaar op weg. En ik word er heel erg in gesteund, van alle kanten. Maar dat neemt niet weg dat ik mezelf in ieder geval voor een deel opnieuw moet uitvinden. En dat ik vaarwel moet zeggen tegen dingen die een vast onderdeel van me zijn geworden. En dat doet gewoon pijn. Ook als ik weet dat ik de juiste beslissing heb genomen.

Geplaatst in Bericht, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , , , | 2 reacties