CXIV. Onrust

pianokeysNa iets meer dan een week vroeg Milo zich af hoeveel slapeloze nachten en improductieve dagen hij nog kon hebben zonder knettergek te worden. De Xanax leek helemaal niet te werken, hij was geen moment kalm en zeker niet ontspannen genoeg om ’s nachts te kunnen slapen. Soms lukte het hem een half uurtje of een uurtje weg te dommelen, om dan weer wakker te worden uit een droom die een variatie bleek te zijn op een droom die hij had gehad toen hij op tournee was; dat er iemand in zijn buurt woonde die hem bedreigde en uiteindelijk met grof geweld zijn woning binnendrong. Overdag was hij suf, slaperig en vermoeid, maar als hij dan probeerde te slapen overkwam hem hetzelfde.
Om rustiger te worden was hij meer Xanax gaan slikken dan zijn therapeute hem voor had geschreven, maar dat zorgde er natuurlijk ook voor dat hij er sneller doorheen was. Milo had het hart niet haar te bellen om te vragen of hij een vervolgrecept kon krijgen, dus tekende bij op de verder lege kalender in de keuken aan wanneer hij volgens het voorschrift door de pillen heen zou moeten zijn, om dan legaal te kunnen vragen om nieuwe, en ondertussen bestelde hij met een prepaid creditcard online een grote hoeveelheid extra kalmeringsmiddelen om de tussenliggende dagen door te komen, en nieuwe Xanax om nog extra te kunnen innemen. Het pakket liet hij bezorgen op een groot postkantoor aan de andere kant van de stad, waar hij het ophaalde, met een bril en een pet op en een capuchon over zijn hoofd getrokken, onder een gefingeerde naam die nogal oosters klonk en bijna niet uit te spreken was.
Op een woensdagavond hield Milo het niet meer uit in zijn huis. Rusteloos ging hij de straat op, en hij liep door de stad, kilometers, zonder iets te zien of iemand op te merken, zijn hoofd diep gebogen zoals altijd. Uiteindelijk duwde hij de deur open van een etablissement waar hij zichzelf met regelmaat een geweldig stuk in zijn kraag had gedronken voordat hij de eerste keer naar de afkickkliniek ging. Aan de bar duurde het enige minuten voordat hij de verleiding kon onderdrukken om wodka te vragen, het liefst de hele fles. Uiteindelijk bestelde hij een tonic en hij keek naar zichzelf in de spiegel achter de bar terwijl hij op zijn bestelling wachtte. Een jonge kerel keek terug, vermoeid, zijn ogen een beetje samengeknepen, maar knap als altijd. Milo boog zijn hoofd, draaide het weg. De tonic werd voor hem op de bar op een viltje gezet en hij bedankte de barkeeper zonder op te kijken.
Het was stampvol in het café, zelfs op een woensdag, en niemand lette op iemand anders. De mensen waren zo met zichzelf en hun eigen gezelschap bezig dat Milo er geen moment bang voor was dat hij zelf herkend zou worden. Na even durfde hij het zelfs aan even om zich heen te kijken.
En hij zag zijn dealer, Charlie.
Wat erger was: Charlie zag hem. En kwam onmiddellijk naar hem toe.

Advertenties
Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Grootheidswaanzin (of doel)

universumIk wist niet of het kwam doordat ik aangeschoten was, er waren behoorlijk wat Brand Dubbel Bock doorheen gegaan die avond, maar aangezien ik redelijk bij zinnen blijf, ook bij behoorlijke alcoholconsumptie, durfde ik te beweren dat ik geen onzin uit zat te kramen. Sterker, nu ik ga proberen het op te schrijven weet ik zeker dat ik geen onzin uit zat te kramen.

Maar ik moet u waarschuwen. U zou zomaar kunnen denken dat iets me ziekelijk naar het hoofd is gestegen (misschien niet de alcohol, maar wel iets anders, ik laat aan u over wat u denkt dat dit dan wel niet is), dat ik ongelofelijk arrogant ben en lijd aan een werkelijk waanzinnige vorm van zelfoverschatting. Als u uw beeld van mij intact wilt houden zoals het nu is, dan moet u misschien geen notie nemen van dit verhaal.

Zo, wereldverbeteraars, we zijn onder elkaar. Want geloof me, het gaat over het verbeteren van de wereld. Het gaat om de mensheid als organisme. Niet om zeven miljard-plus individuen, maar één ding: de mensheid. Te groot? Hm. Zei ik niet dat het zou kunnen lijken alsof ik lijd aan een werkelijk waanzinnige vorm van zelfoverschatting?

Een paar weken geleden was ik bij een lezing van Mo Gawdat, gewoonlijk CEO van Google X maar op dit moment even op sabbatical omdat hij een miljard mensen wil leren gelukkig te zijn (zie zijn boek, Solve For Happy). Ik had de man een paar maanden eerder ook al eens zien spreken, toen drie kwartier, nu drie uur. Zijn verhaal kwam in beide gevallen op hetzelfde neer, en gewoonlijk zeg ik dan, geef mij de korte versie, dan snap ik het ook wel. Om eerlijk te zijn, dat dacht ik deze vrijdagmiddag in Amsterdam ook. Grote hemel, dacht ik, waarom heb ik geld uitgegeven om een verhaal dat ik al eens had gehoord nog eens te horen, maar dan uitgebreid?

En toen zei hij na twee uur ineens iets waardoor ik weer helemaal bij de les was. Hij zei: “You’re renting an avatar to navigate the physical world.

Hij gaf een voorbeeld om die uitspraak te verduidelijken. Stel, je wilt van oost naar west door Afrika reizen en je huurt daarvoor een auto. Dan zul je ervoor moeten zorgen dat die auto het blijft doen, anders kom je niet aan de andere kant van het continent. Je moet voor die auto blijven zorgen; er moet benzine in, de olie moet op peil blijven, de ruiten moeten schoon want anders zie je niks. En de link naar ons, mensen: we zijn een ziel in een lichaam, en onze ziel wil ergens heen (soort van ‘van oost naar west door Afrika’), en ons lichaam is de ‘auto’ waarmee we het moeten doen.

Wat mijn hersenen na die ene kreet deden was tientallen verbindingen leggen tussen allerlei dingen die ik weet, dingen die ik wel eens heb gehoord en dingen waar ik wel of niet in geloof. En het is voor mij volkomen logisch dat de mensheid één ding is, in plaats van, zoals ik hierboven al zei, zeven miljard-plus losse dingen. Eén organisme. Met, jawel, één doel, één opdracht. Maar wel opgesplitst in zeven miljard-plus verschillende mensen. Zeven miljard-plus lichamen, die door een stukje van dat ene organisme worden ‘gehuurd’ om in de fysieke wereld samen iets te doen, te leren, te bereiken. De reis te maken van de ene naar de andere kant van een continent. Van start naar doel. Al die losse stukjes hebben hun eigen les te leren, en dragen allemaal iets bij aan het geheel, aan wat het organisme moet bereiken.

Klonk dat al op z’n minst bijzonder? Goed, dan krijgt u nu nog een kans weg te lopen. Want nee, dat ik wat hierboven staat bedacht, is niet hetgene waar ik u voor waarschuwde voor wat betreft mijn grootheidswaanzin. Dat is dit:

Wanneer iemand fijn en leesbaar kan schrijven, en prettig, duidelijk en overtuigend kan praten, en die mens bedenkt het bovenstaande, dan moet die persoon haar of zijn verantwoordelijkheid nemen. En zo veel mogelijk mensen meenemen. Die persoon moet schrijven voor, en praten met, zo veel mogelijk mensen om ervoor te zorgen dat die zeven miljard-plus dingen beseffen dat ze, naast individuen, ook één ding zijn; het organisme Mensheid.

En dat moet ik doen. Alles wat ik weet of denk over de fysiek van de mens, over hoe hersenen werken, over evolutie en ontwikkeling, tijd en ruimte, over theorieën over de ziel, over het universum, fysica, geschiedenis, over het leven; alles opschrijven, publiceren, en erover praten met en tegen zo veel mogelijk mensen. Want dat is waarvoor ik er ben. Dat is de reden dat mijn stukje van het organisme mensheid dit ‘avatar’ heeft ‘gehuurd’. Dat is mijn rit door Afrika van oost naar west.

Waarom ook niet?

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Schrijfsels, Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

CXIII. Kapot

pianokeysDe volgende middag besloot Milo uiteindelijk toch maar de telefoon aan te nemen toen Rick weer, vandaag voor de inmiddels tweeënvijftigste keer, belde. “Hi Rick.”
“Milo! Gaat het?”
Milo deed zijn ogen dicht. “Ja hoor.” Hij streek met zijn vrije hand over de toetsen van zijn moeders vleugel.
“Waarom nam je niet eerder op, man. Ik maakte me…”
“Snap ik,” onderbrak Milo hem. “Sorry. Ik was niet in de stemming om te praten.” Sterker, ik ben nog steeds niet in de stemming om te praten.
“Waar was je?”
“In de studio. En daarna thuis.”
Rick zuchtte diep, maar zei niets. Waarschijnlijk omdat hij even niet wist wat te zeggen.
“Ik loop heus niet in zeven sloten tegelijk.”
“Weet ik ook wel.” Rick was even stil. “Maar verdomme, Milo. De klootzak die dit gedaan heeft.”
“Ik weet het.”
“Ik kan hem wel wat doen.”
Ik ook, geloof me. “Tja.”
“Waar ben je nu?”
“Thuis.”
“Zal ik naar je toe komen?”
Milo deed zijn ogen weer open, keek naar de toetsen onder de vingers van zijn rechterhand en daarna naar buiten door het raam aan de voorkant van de woonkamer. “Nee joh.”
“Wil je hierheen komen?”
Opnieuw: “Nee joh.”
Rick zweeg even. Na een tijdje zei hij: “Dit is echt heel heftig, hoor.”
Milo snoof hoorbaar maar het speet hem niet. “Ja, ik weet denk ik heel erg goed hoe heftig dit is.”
“Je weet dat mensen zich alleen de koppen herinneren, hè.”
Diep ademhalend stond Milo op. Hij liet het deksel over de toetsen van de vleugel vallen. De snaren gaven protesterend een veeltonige kreun die zo hard was dat Rick hem gehoord moest hebben aan de andere kant van de lijn. “Hoe naïef denk je dat ik ben, Rick. Je hoeft me helemaal niks uit te leggen over hoe publiciteit werkt, hoor.”
“Milo…”
“Stop.” Milo liep naar de voorkant van de kamer en bleef voor het raam staan, zich ervan bewust dat de paparazzo die sinds enige uren voor zijn huis lagen hem konden zien en nu ongetwijfeld honderden foto’s van hem schoten. “Ik weet het, oké? Het gaat over mij, verdomme. Iemand heeft over mij geluld. Over míj, Rick. Je hoeft niet aan me uit te leggen hoeveel pijn dat doet. Oké?” Hij deed weer zijn ogen dicht, merkte dat hij buiten adem was. “Ik ga kapot. Is dat wat je wil horen? Ik ga kapot. Goed? Maar jouw aanwezigheid, of die van wie dan ook, gaat daar helemaal niks aan veranderen.” Hij haalde weer diep adem, draaide zich met zijn rug naar het raam, denkend: als jullie nou nog geen goeie plaatjes van me hebben, dan is dat jullie eigen schuld. “Laat me gewoon maar even. Ik moet nog een paar keer flink huilen en schelden, en dan ga ik weer gewoon aan het werk.”
“Milo,” probeerde Rick weer.
“Rot op, Rick. Ik wil even helemaal geen gezeik aan m’n kop. Snap je?” Zonder een reactie af te wachten drukte hij de lijn weg.
Rick belde niet terug.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXII. Verraad

pianokeys“Milo Morris kickt op het dragen van vrouwenkleding!”
Dat was de kop voorop een tabloid die op een ochtend op het mengpaneel van de studio lag. Eerst wilde Milo de krant aan de kant gooien, geërgerd dat er iemand in de studio was geweest die schijnbaar zijn rommel ook nog niet op kon ruimen. Wat er in de kop stond drong pas enige seconden later echt tot hem door. En onmiddellijk stond alles stil. Zijn hoofd. Zijn lijf. Alles.
Hij keek naar de krantenkop zoals hij had gekeken naar de krantenkop van maanden geleden, waarin stond dat hij zijn vader had vermoord. Van een afstandje. Hij deed een stap achteruit, en nog eentje, tot hij eigenlijk net iets te ver weg stond om de letters goed te kunnen lezen. Alsof het niet echt kunnen onderscheiden van de letters er ook voor zorgde dat de tekst ook niet echt geschreven was.
Zijn ogen gingen naar zijn gsm, en hij zag dat het lampje waaraan hij kon zien of hij gesprekken had gemist knipperde. Maar hij pakte het toestel niet.
Vervolgens wilde hij aan het werk gaan, omdat hij bedacht dat werken ervoor zou zorgen dat hij verder niet na zou denken. Maar hij vergiste zich natuurlijk onwaarschijnlijk. Hij probeerde een baspartij op te nemen, maar kon zich niet concentreren en na een uur vol frustratie, waarin hij uiteindelijk de snaren van het instrument kapottrok, pakte hij de tabloid en las hij het artikel.
“Ik smeerde haar make-up op mijn gezicht”, stond er onder andere, en: “Ik was heel gemeen tegen hem”. “Ik wilde iets losmaken in hem, en dat hij me sloeg, dat was tenminste iets”.
Milo las het artikel een keer of vijf voordat hij echt goed besefte wat er gebeurd was. En dat raakte hem zo hard dat hij er sterretjes van zag. Iemand waarmee hij in rehab had gezeten had zijn verhaal verkocht. Iemand had aan de pers doorverteld wat hij in vertrouwen tijdens een groepssessie aan zijn medebewoners had verteld. Op een moment dat hij zich veilig had gewaand.
Iemand had al zijn onzekerheden aan de pers doorgebriefd. Alles uit zijn verleden aan een roddeljournalist verkocht. Alles waarvan hij vond dat niemand ermee te maken had, doorverteld aan de pers.
En nu was het overal.
Nu wist iedereen het.
Milo voelde hoe zijn vingers verkrampten, hoe alle poriën op zijn lichaam zich openden, hoe alle haartjes op zijn huid overeind gingen staan. Dat hij zo misselijk werd dat hij een moment dacht dat hij over het mengpaneel zou kotsen. Dat zich een wolk verzamelde in zijn hoofd die zo snel zo waanzinnig veel pijn deed dat hij zijn ogen dicht moest knijpen en hoorbaar kreunde, zijn handen tegen zijn slapen aan duwend tot hij dacht dat hij zijn eigen hoofd kapot zou drukken. Hij merkte dat hij door zijn knieën op de vloer van de studio zakte, dat er tranen uit zijn ogen begonnen te stromen die hij op geen enkele manier binnen kon houden. Hij hoorde zichzelf snikken, huilen, en uiteindelijk ook hardop brullen van woede en machteloosheid. En zijn hoofd ging alleen maar meer pijn doen, alleen maar meer, en nog meer, en nog meer.
Ondertussen ging zijn gsm een aantal malen. Tien keer. Twintig keer. Ontelbaar veel keren, leek het wel. Hij duwde zijn vingers in zijn oren en schreeuwde om het geluid niet te hoeven horen.
Uren zat hij op de parketvloer van de studio, zijn vuisten tegen zijn ogen gedrukt, huilend, jankend als een gewond dier, tot hij niet meer kon huilen en zijn tranen opdroogden. Zelden had hij zich zo leeg en waardeloos gevoeld, en hij vervloekte degene die tegen de pers had gepraat, degene die hem had ontkleed en poedelnaakt en eenzaam de straat op had gestuurd, geduwd, gedwongen. Hoe kon hij ooit nog iemand onder ogen komen? Hoe kon hij verdomme ooit nog iemand zijn nu? Hoe kon hij ooit weer terugkomen naar degene die hij ooit had geprobeerd te zijn?
Het kostte Milo waanzinnig veel moeite om weer op zijn benen te komen, maar uiteindelijk lukte het hem. Hij was duizelig en uitgeput en hij had er geen idee van hoe hij ooit naar de uitgang van de studio moest komen, laat staan een taxi voor zichzelf moest regelen om naar huis te gaan. Wilde hij wel naar huis? Wat wilde hij nu eigenlijk? Wat de fuck wilde hij nu eigenlijk nog?
In de verlaten gang naar de uitgang merkte hij dat hij alweer huilde en hij deed zich niet eens moeite te proberen op te houden. Af en toe leunde hij tegen de muur en probeerde hij tevergeefs zijn gezicht droog te vegen. Zijn hoofd maalde, terwijl hij probeerde te bedenken welke klootzak hem had verraden, welke misselijke hond zo vals was geweest om hem te verkopen aan misschien niet eens de hoogste bieder.
Bob?
Nee, nooit. Natuurlijk niet! Hoe durfde hij dat ook maar te denken.
Damn.
Milo drukte zijn handen weer tegen zijn slapen. Met zijn elleboog duwde hij de deur open die naar buiten leidde.
Het was al donker. En het regende. Waarom ook niet.
Pas op het moment dat hij de achterdeur van zijn huis achter zich in het slot duwde merkte hij dat hij het hele stuk naar zijn huis had gelopen. En dat hij weer huilde. Of nog steeds huilde.
Godverdomme. Moest er dan altijd iets of iemand zijn om hem te reduceren tot het waardeloze wezen dat hij diep in zijn hart dacht te zijn?

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

WE-300: Gezondheid

fountain_pen_sHa. Volgens mij is het niet de eerste, en ook zeker niet de laatste X dat ik dit zeg: beter laat dan nooit. Er was weer een Word Exact 300-opdracht bij Plato en ik wist zeker dat ik mijn bijdrage binnen de gestelde tijd zou leveren. Behalve dat ik dat niet deed. Afijn, zonder verdere omhaal:

Daar zaten ze dan, tegenover elkaar, gedimd licht, kaarsen, champagne, een heel romantisch tafereel. Hij keek in haar ogen, zij keek naar het tafelblad; verlegen, schuchter. Ze bewogen niet. Het moment duurde eeuwig.
Hij wilde niet dat het moment eeuwig duurde. Hij wilde dat er geluid was. Hij wilde dat zij zou praten, of misschien wel zou schreeuwen. Dat er muziek was waar ze over konden praten. Dat er wat-dan-ook was waar ze aandacht aan konden besteden. Hij wilde dat hij haar gedachten kon lezen, dat hij wist wat er in haar omging.
Kort geleden nog de beste vrienden. En nu blijkbaar helemaal niets meer.
Zij was zijn rots in de branding. Zij was degene bij wie hij altijd terecht kon. Degene die alles van hem wist. Hij wist dat zij altijd klaarstond voor hem, dag en nacht, waar en wanneer dan ook. Als hij in de problemen zat, dat belde hij haar, en alleen haar.
Ze had hem altijd gezien met andere meisjes en vrouwen, en dat had haar nooit iets gedaan. Sterker, ze had hem meer dan eens verzekerd dat ze hem nooit op die manier had gewild. Misschien, bedacht hij, omdat ze nooit had meegemaakt dat hij het meende met één van zijn veroveringen. Het was altijd veilig, want oppervlakkig.
En met dit meisje meende hij het.
En tussen hen was alles ineens anders.
Met een diepe zucht pakte hij het glas champagne dat voor hem stond. Hij hief het naar haar. “Hé,” zei hij zachtjes.
Ze keek naar hem op.
Hij knipoogde bemoedigend.
Ze glimlachte, sloeg haar ogen weer neer maar pakte toch het glas. Terwijl de rand van het zijne de zijkant van dat van haar met een zachte ‘ting’ raakte zei hij: “Proost.”
Zij zuchtte ook. Zonder hem aan te kijken glimlachte ze. “Gezondheid.”

Geplaatst in Random writings, Schrijfsels, Word Exact 300 | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXVI. Kalmeren

pianokeysBevend als een rietje liep Milo op een middag het gebouw uit waar hij wekelijks met zijn therapeut sprak. In zijn binnenzak brandde een stukje papier, een recept dat ze hem mee had gegeven voor de apotheek. Omdat hij zo onrustig was de laatste tijd, en niet van zijn dwangmatige gedachten af leek te komen. Ze zei dat het hem zou helpen.
Het was een recept voor Alprazolam; merknaam Xanax. En Milo wist precies wat het middel deed. Want hij nam het ook toen hij nog cocaïne snoof. Toen om kalm genoeg te worden om te kunnen slapen.
Natuurlijk had hij moeten zeggen dat het legaal op recept krijgen van een middel dat hem onmiddellijk mee terug nam naar de dagen dat hij zich er suf aan slikte hem nog onrustiger maakte dan hij al was. Natuurlijk had hij tegen zijn therapeute moeten zeggen dat hij iets anders wilde, of beter, dat hij niets wilde, dat hij het met haar over wilde hebben over het album dat hij aan het opnemen was, en hoe moeilijk hij dat vond, en dat hij met haar moest praten over hoe hij het weer bij kon leggen met zijn vrienden omdat zij hem konden steunen en helpen, maar dat had hij niet gedaan want zijn andere kant, de kant waar hij zo’n ontzettende hekel aan had, wilde gewoon een snelle oplossing, een onmiddellijke fix, en dat was een middel als Xanax, dat wist hij.
Hij beefde nog steeds toen hij binnenliep bij de apotheek, de capuchon van zijn hoodie ver over zijn hoofd getrokken, zijn hoofd ver gebogen. Hij hoopte vurig dat niemand hem zou herkennen. Ja, hij had Rick kunnen vragen de pillen op te halen. Maar hij wilde niet dat Rick ook maar vermoedde dat hij iets slikte. Hij wilde voor de hele wereld verborgen houden dat hij een medicijn slikte, en hij wilde helemaal niet dat ook maar iemand erachter kwam dat het iets was wat hij ook had geslikt voordat hij afkickte.
“Hoi,” zei hij tegen het meisje dat zijn recept aannam op het moment dat hij aan de beurt was. Hij probeerde te glimlachen en zag dat het gelukt moest zijn omdat ze ook naar hem lachte. Ze vroeg hem een moment te wachten. Hij knikte en deed zijn ogen dicht.
“Meneer Waterman?”
Het duurde even voordat Milo reageerde op de naam die hij altijd gebruikte als hij zijn eigen naam niet opgaf. Ricks achternaam. O ja. Ze bedoelde hem. Milo keek op.
Het meisje legde twee doosjes voor hem neer, wit met blauw gekleurd, en Milo bedacht dat hij Xanax nog nooit had gezien in de fabrieksverpakking, alleen maar in de potjes waarin hij ze had gekregen van zijn dealer. Ze liet hem een vel zien dat vers uit de printer kwam en zei: “Leest u de bijsluiter alstublieft goed door?”
Milo knikte. “Doe ik.”
“Hebt u vragen, aarzelt u dan niet om ons te bellen.” Het meisje maakte een telefoonnummer onderaan het papier geel met een stift.
“Fijn,” zei Milo, haar heel even aankijkend. “Dank u wel.”
Het meisje deed de doosjes in een papieren zakje, vouwde het vel waar de bijsluiter op was afgedrukt dubbel en stopte het erbij. Ze vouwde het zakje dicht en schoof het naar hem toe. “Alstublieft. Sterkte.”
Milo glimlachte zuur. Als ze eens wist hoe terecht die wens was. “Dank u wel,” zei hij nog eens, deze keer meer mechanisch. Toen hij het zakje pakte zag hij dat zijn handen beefden, en hij klemde zijn kaken op elkaar. Met zijn hoofd zo diep gebogen dat hij alleen de eerste meter voor zich uit op de straatstenen kon kijken verliet hij het pand.
Buiten hield hij een taxi aan, die hij liet rijden tot de hoek van de straat waar hij woonde. Hij gaf de man zo veel fooi dat die vroeg of hij zich niet vergiste, maar Milo was blij dat hij thuis was en antwoordde verder niet. Nog voordat de man zijn vraag had afgemaakt was hij al uitgestapt om de laatste paar honderd meter naar zijn huis te lopen.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Slachtofferschap

pestenEerder vandaag had ik een vriend van mij aan de telefoon en toen we op hadden gehangen bedacht ik me dat ik wel heel onaardig en hard tegen hem was geweest. Ik schreef een paar sms’jes aan hem, om mijn excuses aan te bieden, die ik allemaal niet verstuurde, want het voelde niet goed. Daarna ging ik met een grote mok caramel latte macchiato even uit het raam zitten kijken om erachter te komen waarom ik zo onaardig was geweest.

Mijn vriend zit in een confronterende periode in zijn leven. Dat is niet erg. Sterker, hij vindt dat zelf niet erg (zegt hij tenminste). Wat wel erg is: hij vindt dat hij het slachtoffer is van alles en iedereen in zijn leven op dit moment.

En precies dat strijkt mij tegen de haren in, waardoor ik dus onaardig en hard ga doen. (Niet onmiddellijk overigens; ik ben empathisch tot het niveau dat ik zelf fysiek pijn kan ondervinden van andermans ongemakken en angsten, en ik kan niet anders dan luisterend oor zijn, begrip tonen en meeveren en uiteindelijk helpen zoeken naar oplossingen, als de ander daar aan toe is of dat überhaupt wil.) Want ik heb een ongelofelijk gloeiende hekel aan slachtofferschap.

Begrijp me niet verkeerd, je moet je eens slachtoffer kunnen voelen. Je moet jezelf eens een keer zielig kunnen vinden. Je moet de ruimte nemen om de wereld de schuld te geven van alles wat jou niet bevalt. Doe ik ook. Ik heb dat nodig. Maar ik weet ook alles van hoe onprettig het is om daarin te blijven hangen. Om je te wentelen in dat slachtofferschap. Ik weet als geen ander welke destructieve uitwerking dat kan hebben op je leven.

Vriend in kwestie wentelt zich in zijn slachtofferschap, en daar verlies ik uiteindelijk mijn geduld van. Hij voelt zich benadeeld, hij vindt dat iedereen hem in de steek laat, maar hij staat er niet voor open om te kijken wat hij zelf kan doen om de situatie (of situaties) voor zichzelf beter te maken. Hem overkomt altijd alle ellende, hij kan beter de voordeur niet meer uit komen. Iedereen heeft het gedaan, niemand begrijpt er een bal van, en hij kan er niks aan doen.

Zo overkomt het leven je inderdaad. Zo heb je inderdaad altijd het gevoel dat je nergens invloed op hebt. En zo blijf je dus inderdaad speelbal van elke situatie. Waardoor elke situatie erger wordt, en elke situatie een probleem op gaat leveren. Zelfs dingen die helemaal geen grote ramp zijn, maar alleen een klein ongemak opleveren, zoals dat er in een café geen Coca-Cola wordt geschonken maar Pepsi (nu begrijp ik de bezwaren van mensen tegen Pepsi, maar om daar dan de hele avond over te blijven foeteren, bij elke slok die je neemt, en dan vervolges nóg een glas bestellen en door blijven emmeren, dat gaat me echt te ver).

Ik ben van schade en schande wijs geworden. En ik pretendeer niet de wijsheid in pacht te hebben, of alle oplossingen te kunnen vinden. Sterker, als je iets onprettigs of oneerlijks overkomt, moedig ik je aan om je een tijdje slachtoffer te voelen; het is je recht. Maar doe jezelf op een gegeven moment een plezier. Praat er na een tijdje met mensen over. Kijk wat je kunt doen. Spreek je uit. Stel kritische vragen – niet aan jezelf, maar aan anderen, die niet in hetzelfde kringetje denken als jij, die in een andere situatie zitten. Zie ik het wel goed? Wat zou jij doen?

Geloof me, niemand is altijd compleet machteloos. Ik niet, jij niet. En vriend in kwestie ook niet.

Geplaatst in Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk | Tags: , , , | 7 reacties