CLXIII. Morgen

pianokeysBobbie was niet bij hem in haar bed komen liggen. Dat luchtte Milo evenveel op als dat het hem teleurstelde. Hij wist niet wat hij liever had gewild, of eigenlijk meer, wat liever niet. De realiteit nu was dat hij op zijn rug lag en keek naar het witte plafond en naar de tientallen foto’s die, vastgemaakt met minuscule knijpertjes, aan een soort van waslijn aan de muur links van het bed hingen. De gordijnen achter hem waren open en het was licht, maar meer dan dat er mensen op de foto’s stonden kon hij niet herkennen. Milo sloot zijn ogen en er sijpelden tranen uit zijn ooghoeken.
Ik huil niet.

Hij hoopte dat het waar was.
“Hé. Wil je koffie?”
Milo deed zijn ogen weer open. Bobbie zat naast hem op de rand van het bed. Ze glimlachte toen hun ogen elkaar troffen.
“Hé,” zei hij terug, half fluisterend. En, alsof hij pas zo kort wakker was dat er nog geen enkele gedachte door zijn hoofd was gegaan: “Hoe laat is het?”
“Elf uur.”
“O.” Hij wist niet of hij vond dat hij lang of kort had geslapen.
“Koffie?” vroeg Bobbie nog eens. Ze pakte een mok op die ze op het nachtkastje rechts naast het bed had gezet.
Milo wreef in zijn ogen en kroop langzaam overeind. “Ja, lekker,” zei hij. Zijn stem klonk rauw. Bobbies blik ontwijkend keek hij naar de mok, pakte hem aan. Hij was warm en de pikzwarte koffie rook sterk.
“Niks erin, toch?”
“Nee.” Milo deed even zijn ogen dicht, snoof de lucht op, de geuren die erin hingen. De koffie, Bobbies haren die roken naar een shampoo met amandel, een lichte geur van parfum, zijn eigen warmte in de lakens. Daarna keek hij haar aan. Tot zijn eigen schrik en verwondering vroeg hij: “Waarom was je niet in bed?”
Ze glimlachte, haar gezicht werd nog zachter dan het al was en Milo vond zichzelf een klootzak dat hij die vraag had gesteld. Tot ze antwoordde: “Ik wilde me niet aan je opdringen.”
Milo glimlachte ook. Hij sloeg zijn ogen weer neer, maar ook zonder te kijken vonden zijn lippen die van haar.

 

Advertenties
Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

CLXII. Nacht

pianokeysMilo lag tussen de rode en roze lakens van Bobbies brede tweepersoonsbed in de kleine slaapkamer aan de achterkant van het huis en hij snikte zachtjes in het kussen omdat hij niet wilde dat Bobbie zou horen dat hij alweer huilde.
Natuurlijk had hij haar uiteindelijk alles verteld, over alles wat er was gebeurd sinds ze afscheid hadden genomen in de hal van de afkickkliniek tot aan het belachelijke jaloerse gedrag van Fletcher en hun ruzie over Laura. En over hoe verschrikkelijk verraden hij zich had gevoeld op het moment dat Jesse en Tom daar samen op het podium stonden met Fletcher, alsof ze de dikste maten waren, en hoe hij totaal kapot was gegaan toen ze dat nummer van zijn vader begonnen te spelen. Het was hem niet gelukt alles te vertellen zonder te huilen en ze had hem getroost, niet medelijdend maar liefdevol op een manier waar Milo vlinders van in zijn ingewanden kreeg. Op het moment dat hij was gestopt met praten kuste ze zachtjes de tranen op zijn wangen, en dat kon hij niet aan. Hij sprong op alsof hij gestoken was door een schorpioen en vroeg waar hij het toilet kon vinden. Zonder echt te zien waar ze naartoe wees en helemaal zonder te horen wat ze zei was hij het smalle gangetje dat naar de achterkant van het huis leidde ingevlucht.
In de kleine badkamer zocht hij in het kastje boven de wasbak naar kalmeringstabletten tot hij eindelijk besefte dat ze die natuurlijk niet had, en hij huilde weer, en hij kotste gal in de wc tot hij bijna flauwviel.
Na een eeuwigheid had hij eindelijk zijn beheersing teruggevonden en hij was teruggegaan naar de woonkamer. Bobbie zei niets over hoe lang hij weg was gebleven en hoe bleek hij zag en hij was haar dankbaar. Hij luisterde naar wat ze hem vertelde terwijl ze stond te koken voor hen beiden, over wat voor werk ze deed en dat haar ouders het er niet mee eens waren geweest dat ze hierheen was verhuisd, omdat een grote stad ook veel verleidingen betekende en ze bang waren dat ze een terugval zou krijgen.
Hij was er overdonderd van hoe graag hij haar hoorde praten. En tot zijn enorme schaamte wilde hij niets anders dan naar haar kijken. Naar haar gezicht, naar haar handen. Naar wat ze deed. Naar alles wat ze deed.
En nu lag hij in haar bed, en hij was gesloopt terwijl hij niets anders had gedaan dan naar haar luisteren en eten wat ze had gekookt en thee drinken, en hij moest weer zo ontzettend huilen. Hij had geen idee waarom. Hij wilde het ook niet. Hij was zo ontzettend in de war.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Overtuigd

Buiten is het donker. Het waaide hard toen ik eerder vanavond thuiskwam, en aan het glinsteren van het licht van de straatlantaarns op de golfjes in de vijver voor mijn huis te zien waait het nog steeds. Hierbinnen, in mijn oude huisje, is het stil. Op het geluid dat mijn vingers maken op de toetsen van mijn laptop na. Naast me op de bank poetst mijn kat zijn pootjes alsof er niets anders te doen is, alsof er niets belangrijker is in de wereld, in het leven in het algemeen, überhaupt, dan dat.

Ik probeer vaak te bedenken wat belangrijk is in het leven. Maar ik denk in kringetjes. Denken wordt zwaar overschat, volgens mij. Denken levert vaak helemaal niks op. Ik vind graag dat ik denk om mezelf ergens van te overtuigen, maar het is maar de vraag of dat lukt. Vaak, of meestal, leidt dat denken nergens toe. En zeker niet tot overtuiging ergens van. Van wat dan ook.

Mijn kat is overtuigd. Ik zie het aan hem, zonder dat hij zich ook maar enige moeite doet om mij te overtuigen. Mijn kat vindt helemaal niet dat het aan hem is om wie dan ook waar dan ook van te overtuigen. Hij is volkomen overtuigd van zichzelf en wat hij doet. Zijn pootjes poetsen en ervoor zorgen dat zijn vacht glanst als een spiegel.

Misschien is dat ook wel het meest belangrijke in de wereld, en in het leven in het algemeen. Je pootjes poetsen en de vacht laten glimmen. Ervoor zorgen dat je zorgt voor jezelf, dat je blij bent met jezelf, in het moment waarin je je bevindt, en verder niets.

Voor mijn kat bestaat het woord ‘misschien’ niet. Mijn kat vindt gewoon dat hij gelijk heeft. En tja, wellicht is dat ook wel gewoon zo.

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Lief dagboek, Persoonlijk, Schrijfsels | Tags: , , | 2 reacties

CLXI. Veiligheid

pianokeys“Het was Rick,” antwoordde Bobbie toen Milo haar vroeg wie er had gebeld. Het kwam bij hem op om tegen haar uit te vallen omdat ze zijn telefoon had beantwoord, en te zeggen dat ze zich niet moest bemoeien met zijn leven, zelfs al had ze samen met hem in rehab gezeten. Maar hij kon het niet. Want hij vertrouwde haar blind. En hij wist zeker dat ze hem geen pijn zou doen. En hij wilde niet tegen haar uitvallen.
Misschien wilde hij zelfs wel dat ze zich bemoeide met zijn leven.
Van die laatste gedachte schrok hij zo dat zijn lichaam ervan schokte.
Bobbie zag het maar zei er niets van.
“Hij vroeg hoe het met je was, en waar je was.”
Milo zei niets.
“Ik zei dat je sliep, en dat je bij mij bent.”
“En wat zei hij?” Milo verwachtte min of meer dat Rick elk moment binnen zou kunnen lopen en schoof wat op de bank.
“Hij vroeg waar dat was, en ik zei dat jij dat wel aan hem zou laten weten als je dat wilde.”
Er kwam een licht glimlachje op Milo’s gezicht. “Vond ie vast niet leuk.”
“Nee.” Bobbie glimlachte ook. “Maar ja.”
Milo merkte dat hij begon te blozen onder haar blik en boog zijn hoofd, zodat zijn gezicht in ieder geval voor en deel achter zijn haar verborgen werd. In de stilte die vervolgens viel was Milo er behoorlijk zeker van dat Bobbie naar hem keek, maar net toen hij haar aan wilde kijken en iets luchtigs wilde zeggen stond ze op.
“Wil je thee?”
Hij bedacht zich dat hij voor het laatst thee had gedronken toen hij doodziek was aan het einde van zijn laatste tournee. “Graag.”
Bobbie liep naar de kleine keuken en schonk twee mokken vol. “Heb je lekker geslapen?”
Dat wist hij niet zeker. “Ik denk het wel.”
“Je hebt best lang geslapen.”
Milo keek naar buiten. Het schemerde.
Een mok voor hem op het kleine salontafeltje zettend ging Bobbie weer naast hem op de bank zitten.
Milo sloot zijn ogen en probeerde even helemaal niets te denken. Maar hij dacht haar warmte naast zich te voelen en dat maakte hem onrustig en duizelig. Het duurde naar zijn mening eeuwig voordat ze weer iets zei. Natuurlijk had hij zelf iets kunnen zeggen, maar hij wist niet wat; sterker, op dit moment wist hij niet eens hoe hij moest praten en dat gevoel was hem totaal vreemd.
“Je hebt mijn vragen nog steeds niet beantwoord,” zei Bobbie uiteindelijk.
Milo draaide zijn hoofd naar haar opzij zonder naar haar te kijken.
“Wat ‘best oké’ is,” zei ze, alsof ze niet merkte dat hij haar ontweek, “en waarom het ‘tot een tijdje geleden’ best oké ging met je. En nu dus blijkbaar niet meer.”
“Hm,” deed Milo. Hij maakte een hoofdbeweging die uitgelegd kon worden als nee schudden, maar ook als een soort van wegwuiven van de vraag. Maar Bobbie liet hem niet zo makkelijk wegkomen en er viel een stilte. Een lange stilte. Uiteindelijk zei Milo: “Ik denk niet…” Hij stopte met praten omdat hij bijna fluisterde, schraapte zijn keel en begon opnieuw: “Ik denk niet dat ik het daar nu over wil hebben.”

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

Bang

far awayIk ben wantrouwend, schreef ik kortgeleden over mezelf. En ik veroordeelde mezelf daarom, want wantrouwen ten opzichte van anderen is een onaardige eigenschap, in de meeste gevallen gebaseerd op aannames die ongefundeerd zijn, en ik heb er een hekel aan als andere mensen zomaar aannames doen, dus, kort gezegd, had ik, toen ik opschreef dat ik wantrouwend ben, best een beetje een hekel aan mezelf.

Nou heb ik een broertje dood aan een hekel hebben aan mezelf. Er zijn tijden geweest dat ik een hekel had aan mezelf, maar die liggen achter me, ver achter me mag ik wel zeggen. Natuurlijk vind ik mezelf of iets wat ik heb gedaan of gezegd wel eens niet leuk, maar dat maakt nog niet dat ik een hekel heb aan mezelf. Zelfs een beetje een hekel aan mezelf is niet goed.

Dus pakte ik een boekje en een vulpen en ging ik schrijven.

Handmatig schrijven, dus niet met een toetsenbord, duurt langer. En tijdens dat je woorden opschrijft is er daarom ruimte om na te denken over wat je verder nog op wilde schrijven, en ook over wat datgene wat je hebt opgeschreven nou echt betekent. Bovendien, en dat werkt voor mij inmiddels al ruim vijfendertig jaar, komt er uiteindelijk lijn in de gedachten die allemaal maar in het wilde weg door je hoofd dwarrelen.

Natuurlijk ben ik niet wantrouwend. Dat is een gedraging. Een gevolg.

Soms ben ik bang.

Soms ben ik bang om dingen kwijt te raken. Om mensen kwijt te raken. Om kwijt te raken wat ik heb, en om kwijt te raken wat er nog niet eens is. En dat bang-zijn vertaalt zich bij mij in wantrouwen. Dan ga ik denken dat iedereen me net zomin leuk vindt als ik mezelf op mijn zwakste moment. Dat iedereen net zomin in mijn omgeving wil zijn als ikzelf.

Het is een beschermingsmechanisme, dat wantrouwen, om maar niet toe te hoeven geven dat ik bang ben.

Maar vandaag zei ik het tegen iemand. Ik zei: “Ik ben bang.” En die iemand zei tegen me: “Dat is niet erg, toch?”

Dat hielp. Enorm.

Geplaatst in Filosofie, Inspiratie, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | 7 reacties

CLX. Een thuis

pianokeys“Welkom in mijn nederige stulpje,” zei Bobbie, terwijl ze de deur openduwde van één van de kleinste huisjes die Milo ooit had gezien. Achter de voordeur bleek een nog kleiner huisje schuil te gaan dan hij zich voor had kunnen stellen; hij stapte recht een klein woonkamertje in waar met goed fatsoen alleen een bank en een kleine salontafel in pasten met meteen daarachter een minuscule open keuken die alleen van de woonkamer werd gescheiden door een barretje met twee plastic krukken ervoor. Aan de rechterkant van de keuken was een smal gangetje naar achteren. De bovenetage van het pand hoorde bij de voordeur die naast die van Bobbie zat.
“Charmant,” zei Milo, maar hij klonk krachteloos en hij wilde dat hij zijn mond had gehouden, want dat woord kon ook uitgelegd worden als arrogant of neerbuigend.
Zo vatte Bobbie het niet op. Natuurlijk niet, dacht Milo. Ze was te lief, te goed, ze kende hem, ze wist wat ze moest denken van hem. Van die gedachte ging hij bijna weer huilen.
In plaats daarvan gaf ze hem een kus op zijn wang. “Kom,” zei ze. Ze zette hem neer op de bank die links in de ruimte stond, een grote, zwarte leren bank, die veel zachter bleek te zijn dan Milo had gedacht, en ze boog zich over hem heen om de verwarming die achter de bank was open te draaien. Daarna trok ze zijn jas uit.
Met halfgesloten ogen snoof Milo haar geur op. Ze rook naar schone was. Toen ze hem opzij duwde en zijn benen op de bank tilde merkte hij pas hoe slap hij was, en hoe moe, en hoe gewillig om zich aan haar over te geven.
Bobbie hing zijn jas over één van de barkrukken en pakte een deken die blijkbaar naast de bank lag. Die over Milo heen leggend zei ze zachtjes tegen hem: “Het is niet erg als je in slaap valt. Je kunt het wel gebruiken denk ik.”
Terwijl Bobbie in de keuken water opzette om thee te maken gleden Milo’s ogen dicht. Hij wilde niet inslapen, maar hij kon er niets aan doen. Ergens in de verte hoorde hij dat zijn gsm ging, en hij hoorde hoe Bobbie het toestel beantwoordde. Maar hij kreeg niet meer mee met wie ze sprak omdat hij wegzakte in een vorm van bewusteloosheid.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

CLIX. Koffie

pianokeysIn een filiaal van een grote koffieketen wachtte Milo op Bobbie aan een tafeltje aan een raam, diep weggedoken in het paarse pluche van de stoel waarin Bobbie hem neer had gezet, zijn capuchon nog steeds over zijn hoofd getrokken, zijn hoofd gebogen en opzij gedraaid zodat hij zeker wist dat niemand zijn gezicht kon zien. Hij probeerde niet te bedenken aan welk toeval hij het te danken had dat hij Bobbie net vandaag tegen was gekomen, en hoeveel mazzel hij had gehad dat ze hem herkend had, en hij negeerde dat hij zijn gsm voelde trillen in de binnenzak van het leren jack dat hij droeg over zijn grijze capuchontrui. Hij verlangde plotseling geweldig naar de koffie die Bobbie hem zou brengen. Hij verlangde geweldig naar dat ze weer bij hem zou komen zitten. Hij verlangde geweldig naar de veiligheid die Bobbie met zich meenam.
“Dat duurde langer dan ik had verwacht,” zei ze, op het moment dat ze een kopje met een espresso op de lage tafel voor hem neerzette en tegenover hem in de andere paarse pluche stoel neerviel.
Milo draaide zijn hoofd naar haar toe en keek naar haar. Voor het eerst sinds ze elkaar tegen waren gekomen in de metro. Haar donkerblonde haren waren langer en ze krulden licht en ze droeg helemaal geen make-up, zelfs geen mascara of lippenstift. Ze was prachtig. Milo perste zijn lippen op elkaar en sloot zijn ogen omdat hij bang was dat hij zou gaan huilen, zo prachtig vond hij haar.
Bobbie merkte niet dat hij geëmotioneerd werd alleen door naar haar te kijken. Of ze deed in ieder geval net of ze het niet merkte. Ze legde haar hoofd tegen de hoge rugleuning van de stoel en deed even haar ogen dicht voordat ze hem aankeek. Toen zei ze: “Dus je brengt geweldige nieuw muziek uit en dan ga je zitten mokken in de metro?”
Het klonk zo absurd dat Milo heel even glimlachte. Haar grijns terug vertelde hem dat precies dit haar bedoeling was geweest.
Bobbie bracht de mok waar haar koffie in zat naar haar mond en slurpte er voorzichtig aan. Hem op het tafeltje tussen hen in zettend vroeg ze: “Hoe gaat het met je?”
“O,” antwoordde Milo, en hij besefte dat hij alleen nog maar in korte woordjes met haar had gesproken: ‘Bobbie’, en ‘hmm’ en ‘dubbele’. “Best oké, tot een tijdje geleden.”
Bobbie grijnsde weer. “Dat geeft me twee nieuwe vragen, Milo Morris. Wat is ‘best oké’, en waarom ‘tot een tijdje geleden’?”
Milo hoorde zichzelf zuchten, of eigenlijk meer kreunen, en de pijn in zijn ingewanden vlamde weer op. En voordat hij wist wat er gebeurde barstte hij weer in tranen uit.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , , | 3 reacties