Slow down

snel-langzaamVan de week huppelde ik blij als een kind naar huis. Met mijn nieuwe gadget in mijn tas; de nieuwste smartphone van een bekend merk . Toen ik vanmorgen door de stad naar kantoor liep, keek ik eens naar de reclameborden die ik zo tegen kwam, en zag dat mij ook alweer vier andere mobiele telefoons en tablets werden aangeprezen. En één van die tablets bleef toch even bij me hangen. Zou ik niet toch straks nog even gaan kijken…?

Wandelend en filosoferend concludeerde ik dat wij over het algemeen maar twee dingen nastreven hier in het ‘Westen’ van de wereld. Gadgets en prestaties. Je moet het mooiste, nieuwste hebben. En je moet kunnen laten zien wat je hebt bereikt, het liefst de beste zijn. Eigenlijk is het hebben van de juiste gadget al een prestatie. Al gadgets verzamelend en apps downloadend rennen we naar de volgende prestatie.

Ja, ik weet het, ik generaliseer. En lang niet iedereen doet wat ik hierboven opschreef. Weet ik ook wel. Maar zo’n beetje iedereen heeft een smartphone, zo’n beetje iedereen heeft apps, zo’n beetje iedereen heeft een tablet. Ja toch? En ondertussen hebben we ook zo’n beetje allemaal een ongezouten mening, die we zo’n beetje allemaal ventileren via (a-)sociale media.

Maar maken we nog wel contact? Met elkaar? Met onze omgeving? …met onszelf?

Half Nederland kotste Douwe Bob uit nadat hij de top 10 niet wist te halen in de finale van het Eurovisie Songfestival , twee weken geleden. Helemaal nadat Max Verstappen een dag later op het Circuit de Catalunya als eerste finishte in de Formule 1. Het Songfestival ging over esthetiek en emotie, autoracen gaat over techniek en tactiek. Maar de ene wonnen we niet, de andere wel en daarom was de andere beter en belangrijker. Daarom was Max een beter mens dan Douwe Bob. Daar, dát is wat we bedoelen met een prestatie, daar kan Douwe ‘laten we hem maar vlug vergeten’ Bob nog eens een voorbeeld aan nemen!

Volgens mij is het voor iedereen goed om toch eens iets te doen met de boodschap van Douwe Bobs liedje: Slow down. In plaats van steeds maar nieuwe gadgets aan te schaffen en te blijven presteren op de toppen van je kunnen. Te scheuren en eerste te worden. Altijd na te streven het beste te hebben en de beste te zijn. Want op een dag moet je het wel rustig aan doen. Dan is het genoeg. Op een dag kun je niet anders. En die dag kun je beter zelf kiezen, dan dat ie je overkomt.

Geplaatst in Media, Persoonlijk, Inspiratie, Filosofie | Tags: , , | 4 reacties

XXXIV. Overgave (2)

pianokeysMilo moest een paar keer lucht halen voordat hij iets kon zeggen. Hij kneep zijn rechterhand tot een nog strakkere vuist, sloeg zijn ogen neer, veegde met zijn linkerhand langs zijn alweer bezwete voorhoofd. “Mijn dealer,” zei hij hijgend, “mijn dealer, hij was hier en hij heeft, ik heb…”
Voordat Milo zijn zin af had kunnen maken haalde Fletcher uit en hij sloeg Milo met de rug van zijn hand snoeihard in het gezicht. “Klootzak!”
Milo kneep zijn ogen dicht maar reageerde verder niet. Zijn jukbeen deed zo’n zeer van de klap dat het even duurde voordat hij zijn ogen weer open kon doen. Pas na heel lang had hij voldoende adem verzameld om weer iets te zeggen. Bijna fluisterend: “Ik heb niet gesnoven.” En zijn hevig trillende vuist uitstekend naar Fletcher: “Hier is het. Hier is het. Pak het alsjeblieft.” Er begonnen tranen uit zijn ogen te stromen. “Pak het alsjeblieft, alsjeblieft.”
“Wat?” Fletcher klonk verbouwereerd.
“Hier is het,” zei Milo nog eens, nu echt fluisterend. Voor het eerst sinds zijn dealer de coke in zijn hand had gestopt keek hij naar de vuist waar hij de drug in vasthield, hem nog uitdrukkelijker naar Fletcher uitstrekkend. “Ik heb niet gesnoven. Hier is het. Pak het alsjeblieft.”
Fletcher pakte Milo’s hand. Hij was ijskoud en trilde zo hard dat Fletcher hem echt stevig vast moest grijpen. Het kostte hem enige moeite Milo’s vingers los te wrikken, zo krampachtig hield hij zijn vuist gebald. “Kom maar,” zei hij geruststellend. “Kom maar.”
Milo keek naar hoe Fletcher de vingers van zijn hand opende. Toen Fletcher het zakje met de cocaïne uit zijn hand haalde en hij de witte kristallen in het zakje daadwerkelijk zag, werd hij zo licht in zijn hoofd dat Fletcher hem op moest vangen voordat hij tegen de grond smakte.
“Shit, Milo,” zei Fletcher na even. “Sorry man. Ik dacht dat je gebruikt had.”
“Is niet erg,” zei Milo. “Het is mijn schuld.”
“Wat zeg je?”
“Het is mijn schuld,” herhaalde Milo zachtjes.
“Dat ik je sloeg?”
Milo sloot zijn ogen.
“Milo?”
Het was weer een tijdje stil. “Het is mijn schuld,” zei Milo toen weer.
“Nee. Nee man. Ik ben een vooringenomen hufter.”
“Ik heb het, ik heb het,” zei Milo zonder echt een zin te maken.
“Het spijt me, jezus Milo. Sorry.” Fletcher zette Milo op de sofa die in de kleedkamer stond.
Milo veegde met zijn trillende handen langs zijn wangen.
“Wil je wat drinken?”
Milo reageerde niet. Met gesloten ogen luisterde hij naar hoe Fletcher de aangrenzende ruimte binnen ging, een kraan opendraaide. Na even hoorde hij het toilet doorspoelen. Weten dat de drug zo het riool in verdween luchtte Milo maar een beetje op. Hij was uitgeput, voelde zich smerig, gebruikt en leeg en bang.
Fletcher kwam naast hem op de bank zitten. “Hier,” zei hij, Milo een glas water voorhoudend. “Sorry,” zei hij uiteindelijk nog een keer zacht.
“Is al goed,” mompelde Milo.
“Gaat het weer een beetje?”
Na een korte stilte zei Milo: “Ik wil naar huis.”
“Natuurlijk,” zei Fletcher. Hij aaide Milo over zijn warrige haar, pakte zijn mobiel en koos een nummer. “Rick. Kom alsjeblieft naar Morris’ kleedkamer. Ja, nu.”

Geplaatst in Milo Morris, Schrijfsels | Tags: , | Een reactie plaatsen

XXXIII. Overgave

pianokeysNog steeds bevend over zijn hele lijf liep Milo de zaal in. Alle gezichten waren vreemd voor hem. Alle gezichten keken hem aan. Hij hoorde zijn eigen ademhaling, stokkend, hijgend, veegde met zijn arm langs zijn voorhoofd, streek zijn haar uit zijn gezicht. Keek om zich heen. De zaal danste om hem heen. Hij voelde zich alsof hij rondliep in een nachtmerrieachtige trip. Soms greep een totaal wildvreemde hem ineens vast, of iemand die hij nog nooit had gezien begon tegen hem te praten alsof ze elkaar al jaren kenden. Hij glimlachte en knikte maar het gevoel dat hij in zou storten werd steeds heviger.
“Toe nou,” fluisterde hij tegen zichzelf, “toe nou.” Hij werd duizelig en moest even zijn ogen sluiten tot het gevoel dat hij om zou vallen weer weg was. Weer riep iemand zijn naam en Milo wrong zich tussen een aantal mensen door om zichzelf weer onzichtbaar te maken. En ineens zag hij Fletcher.
“Chris,” zei Milo hardop, maar er was zo veel lawaai dat Fletcher hem onmogelijk kon horen. Hij liep naar hem toe en trok hem aan de mouw van zijn jas. “Chris.”
Fletcher keek om en heel even zag Milo de arrogante kwast waar hij hem voor had gehouden toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten. “Morris, hé.” En onmiddellijk, licht bezorgd: “Wat is er?”
Milo besefte dat hij er niet in slaagde de radeloosheid die hij over zich had effectief te verbergen. In ieder geval niet ten overstaan van de altijd perceptieve Fletcher. “Kom even mee,” zei hij, te zacht.
Fletcher boog zich naar hem toe. “Wat?”
“Kom even mee,” herhaalde Milo, dwingender, maar niet duidelijker of harder. Hij trok Fletcher zonder verder iets te zeggen of toe te lichten aan zijn mouw met zich mee, weg bij diens gezelschap.
“Wacht even,” zei Fletcher in de richting van de mensen waar hij mee stond te praten. Wat verderop beet hij Milo toe: “Wat de fuck man.”
“Je moet even meekomen,” zei Milo zonder hem aan te kijken of te stoppen met lopen. Hoe dichter ze in de buurt van de kleedkamer kwamen, hoe groter de passen werden waarmee hij liep. Uiteindelijk moest Fletcher bijna rennen om hem bij te houden. Milo trok hem mee, de kleedkamer binnen.
Fletcher duwde de kleedkamerdeur achter zich dicht. “Wat, Morris.” Op dat moment zag hij pas hoe erg Milo beefde. “Wat is er aan de hand?”

Geplaatst in Schrijfsels, Milo Morris | Tags: , , | 2 reacties

Maak het en… laat het zien

“Ik weet wel hoe ik een hitje moet schrijven,” zei een artiest die ik best goed vind een tijdje geleden in een interview. “Maar ik doe het niet. Want een hit hebben interesseert me niks.” Hij vindt zichzelf namelijk nogal origineel en apart. Toch ben ik wel benieuwd naar zijn skills om een hitje te schrijven. Kan hij het ook echt?

typewriterIn het boek Originals van Adam Grant las ik iets over zelfoverschatting. Veel mensen blijken, wanneer ze iets hebben gecreëerd, het gevoel te hebben dat het veel beter is dan het daadwerkelijk door anderen wordt gevonden. Zo schreef Beethoven een heel stel symfonieën waarvan hij dacht dat het hoogvliegers zouden worden, maar die niets deden. Toen niet, en nee, nu ook niet.

Kans op een gekrenkt ego
Soms lees ik fictie terug die ik zelf heb geschreven en denk dan, wauw. Het kan niet dat andere mensen dit niet goed vinden! Feit is echter dat ik het niet aan anderen heb laten lezen, en dat ik dus helemaal niet kan weten wat anderen ervan vinden. Voor hetzelfde geld lijd ook ik aan zelfoverschatting.

Laat het dan aan anderen lezen, hoor ik je zeggen. Dan weet je of ze het wat vinden. Klopt. Maar diezelfde anderen vinden het dan misschien wel helemaal niks. En denken dat je iets geweldigs hebt gecreëerd, is vaak net iets aantrekkelijker dan een gekrenkt ego. Dus blijven mijn schrijfsels in de kast. (Of op de harde schijf van mijn laptop.)

Veilig verscholen achter je potentieel
Zo ook, schat ik in, de ‘hitjes’ van eerdergenoemde artiest. Hij kan denken dat hij wel een hit kan schrijven, maar zo lang hij het niet doet, heeft hij niks. En hij kan beweren dat hij die hit dan maar niet schrijft omdat hij zo origineel is, maar kan het niet ook gewoon zijn dat hij, stiekem, bang is dat andere mensen zijn muziekje helemaal geen hit vinden, en dat zijn plaatje flopt?

Zo lang je dingen blijft doen die weliswaar origineel zijn, maar ook geen groot, of zelfs helemaal geen publiek bereiken, is er ook niemand die je af kan branden. Hoe origineel je ook claimt te zijn, je echte potentieel niet wereldkundig maken behoedt je ook van op je neus vallen. Het is lekker veilig. En uiteindelijk verschuil je je dan alleen maar achter je potentieel.

Schrijf die hit!
Ik ben ermee begonnen dingen die ik schrijf wereldkundig te maken. Nee, ik heb geen groot publiek. Misschien gebeurt dat nog. Of het gebeurt niet. Om het even eigenlijk. Ik heb in ieder geval de moed gehad om ervoor te zorgen dat andere mensen kunnen lezen wat ik heb gemaakt.

Zeg niet dat je een hit kunt schrijven, om meteen daarna te zeggen dat je dat toch niet gaat doen omdat je daar geen behoefte aan hebt. Zeg dan niks. Of schrijf die hit maar eens. Laat maar eens zien wat je hebt. En als het dan toch geen hit wordt, dan heb je in ieder geval gecreëerd. Misschien is dat wel het belangrijkste wat je in je leven kunt doen: creëren.

Geplaatst in Filosofie, Inspiratie, Persoonlijk | Tags: , , | 4 reacties

Zegeningen

Pasgeleden was het Dodenherdenking en Bevrijdingsdag. Dagen om bij stil te staan, en dagen om te vieren. Wat mij opviel in alle mogelijke media, was hoe hard er gezanikt werd rondom die dagen. We zouden ze af moeten schaffen. Ze zouden niet meer nodig zijn. En niet meer relevant. En er is o-zo-veel mis met onze maatschappij. Iedereen was aan de azijn. En dat terwijl ik vind dat we weinig te klagen hebben.

Weet je, we zijn niet in oorlog. Ik denk dat het heel belangrijk is om ons dat te realiseren. Het is vrede hier, waar wij leven. We hoeven niet dagelijks bang te zijn dat we op straat neergeknald worden door sluipschutters van de vijand, we worden niet overheerst, er vallen geen bommen op onze huisjes. In al onze steden staan de gebouwen gewoon overeind, en er zitten geen kogelgaten in.

Genaaid?
Wat ik om me heen zie, is dat hele volksstammen zich genaaid voelen. Door de regering, door de politie, door de belastingdienst, door hun kabelmaatschappij, door de CIA, door alle asielzoekers die helemaal niet in hun buurt wonen. Maar denk eens na over wat oorlog is. En wat je allemaal zomaar niet meer zou kunnen hebben, wanneer het oorlog is. Sla eens een boekje open en lees eens een stukje over de oorlog die we hier, op ons eigen grondgebied, pas iets meer dan 70 jaar nog hadden. Lees eens over hoe de mensen het hadden. En over wat de mensen niet hadden, en niet konden.

Benadeeld?
Je bent helemaal niet benadeeld als je in Nederland woont, zelfs niet (ja, ik weet dat ik makkelijk praten heb) als je werkloos bent, of (kom maar op) ziek, of (ja, ik zeg het gewoon) oud. Want er is verdomme wel geen oorlog hier. En je mag gewoon zeggen wat je maar wilt. En het is veilig om over straat te gaan. En er is eten. En schoon water. Oké?

Dus…
Sta daar eens bij stil, de volgende keer dat je met een pesthumeur een karretje door de overvolle supermarkt duwt op zaterdagmiddag. Of de volgende keer dat je onder de douche staat te balen van het feit dat je naar je werk moet. Als je je bedenkt hoe wonderbaarlijk het is dat je maar een knop om hoeft te draaien en er komt warm water uit de muur gestroomd, dan is het helemaal niet moeilijk om je ontzettend gezegend te voelen.

Hope-2-570x3791

Geplaatst in Filosofie, Inspiratie, Media, Nieuws | Tags: , , | 8 reacties

XXXII. Terug

pianokeysMilo keek zichzelf doordringend aan in de spiegel, met zijn handen steunend op de tafel die ervoor stond. “Ga maar,” zei hij tegen zijn bandleden en vrienden, zijn eigen blik niet loslatend. “Ik kom er zo aan.”
De jongens van zijn band twijfelden, zeiden dingen tegen elkaar waar Milo niet naar luisterde, draalden even. “Niet te lang wegblijven,” zei Jesse uiteindelijk tegen Milo, “of we komen je halen.”
Milo glimlachte, zichzelf nog steeds aankijkend. “No worries.”
De deur van de kleedkamer viel achter zijn band dicht. Milo sloot zijn ogen en boog zijn hoofd. Hij bedacht dat hij met hen mee had moeten gaan. Nu zou hij nog meer moed moeten verzamelen om naar zijn eigen releaseparty te gaan. En hij was al zo moe. Het had hem zo veel energie gekost om de beste versie van zichzelf te zijn op het podium. Voor de tweede keer vanavond voelde Milo zich op het bange af onzeker.
De deur achter hem ging weer open.
“Come on,” begon Milo, zich omdraaiend, in de volle overtuiging dat één van zijn bandleden, of misschien nu Rick, hem nog eens kwam vragen mee te gaan naar de party. Maar hij bevroor toen hij het gezicht herkende van degene die binnen kwam.
Het was zijn dealer.
“Hi,” zei de man. “Leuk om je weer te zien.” Hij deed de deur achter zich dicht. En op slot. “Goeie show net.”
Milo werd overvallen door een soort angst die hij niet kende. Hij merkte dat hij achteruit week, terwijl de man nog meters van hem verwijderd was. Zijn vingers begonnen te tintelen. Met elke stap die zijn dealer dichter naar hem toe kwam voelde Milo zich meer in het nauw gedreven. Hij wenste dat hij met zijn band mee was gegaan naar de zaal.
“Ik ben zo blij om te zien dat het goed met je gaat,” zei de man.
Donder op, dacht Milo. Het duurde even voordat hij zijn stem terug had gevonden om het ook hardop te zeggen: “Donder op.”
“Hé hé hé, is dat een manier om je oude vrienden te begroeten?”
“Je bent mijn vriend niet.”
“Je was anders altijd hartstikke blij om mij te zien.”
“Donder op, Charlie.”
De dealer grijnsde een brede grijns met spierwitte, kaarsrechte tanden. “Oké,” zei hij, nog steeds naar Milo toe lopend. Pas toen hij recht voor hem stond bleef hij staan. Hij bracht een hand naar Milo’s gezicht en streelde liefkozend met zijn duim over diens jukbeen.
Milo hapte naar adem.
“Stil maar,” suste de dealer hem. Hij klonk alsof hij probeerde een bange hond naar zich toe te lokken. “Stil maar, knul. Hier.” Terwijl hij dat laatste woord uitsprak greep hij ruw Milo’s hand.
Milo vertrok even zijn gezicht, meer van schrik dan omdat de greep echt pijn deed. Hij voelde hoe zijn dealer hem een piepklein plastic zakje in de rechterhandpalm drukte en zijn vingers eromheen sloot, alsof hij Milo op het hart wilde drukken dat het om een kostbaar relikwie ging dat hij nooit mocht kwijtraken. Milo begon over zijn hele lijf te beven toen hij besefte wat het was.
“Een cadeautje,” zei de man zacht, Milo’s hand stevig dicht drukkend. “Omdat je het zo goed hebt gedaan vanavond.” Hij tuitte zijn lippen en maakte een kusje in de lucht, minder dan tien centimeter verwijderd van Milo’s mond. “Tot gauw,” fluisterde hij. Daarop liet hij Milo los en verliet hij de kleedkamer.
Trillend als een rietje zakte Milo in de stoel voor de spiegel. Hij merkte dat zijn ogen waren begonnen te tranen. De vingers van zijn rechterhand omklemden het minuscule zakje cocaïne alsof dat het leven zelf was.
Wat zou erin zitten? Een gram of twee?
Vier keer een halve gram, voldoende om zich de rest van de avond prima te voelen. Voldoende om de rest van de avond niet meer bang te zijn. Voldoende om de rest van de avond zeker te zijn van zichzelf.
Zo, zo verleidelijk. Zo. Verschrikkelijk. Verleidelijk.
Milo kneep zijn ogen dicht. Klam zweet parelde op zijn voorhoofd, sijpelde in zijn nek, liep langs zijn ruggengraat. Na een tijdje kwam hij tot de ontdekking dat hij zachtjes van voor naar achter wiegde. Alsof hij zichzelf op die manier probeerde te kalmeren. Hij legde zijn tot een vuist gebalde rechterhand in zijn schoot en omsloot hem met de vingers van zijn linker.
Niet doen. Niet doen. Niet doen. Niet doen.
Maar god, o god, hij wilde. Zo graag. Zo graag.
“Niet doen, niet doen, niet doen,” fluisterde hij tegen zichzelf. “Niet doen. Alsjeblieft Milo. Niet doen.”
Zijn hart brandde in zijn borst. Zijn buik was een grote, koude steen.
Pas na wat een eeuwigheid leek lukte het Milo weer zijn ogen te openen. De kleedkamer zwom en het lukte hem niet goed te focussen. Hij probeerde op te staan maar faalde. Een paar keer. Toen hij uiteindelijk op zijn benen stond leunde hij weer met zijn handen op de tafel voor de spiegel, maar hij kon zichzelf deze keer niet aankijken.
Gooi het nou weg.
Milo kneep zijn ogen dicht, deed ze weer open. En besefte dat hij het niet kon. Hij kon niet eens naar de hand kijken waar hij de coke in geklemd had. Hij voelde zich zwak en dom en hij haatte zichzelf.
Hemel, wat wilde hij dat spul graag opsnuiven. Hij wilde het liever dan alle andere dingen die hij ooit had gewild bij elkaar.

Geplaatst in Milo Morris, Schrijfsels | Tags: , | Een reactie plaatsen

XXXI. Spelen

piano-music_sToen Milo zijn naam hoorde voelde hij hoe iemand hem een bemoedigend duwtje gaf en ineens stond hij op het podium, verblind door licht, voor een anonieme massa die naar hem gilde en applaudisseerde.
Hij glimlachte in de richting van de zaal. Vurig hopend dat niemand zag hoe wankel hij op zijn benen stond liep hij naar het midden van het podium toe. Bij de microfoon gekomen drukte hij zijn bovenlip tegen het metaal en hij zei zachtjes: “Dank jullie wel. Dank jullie wel.” Ondertussen denkend: jullie hebben me nog niet horen zingen en spelen. Jullie hebben de nummers nog niet gehoord. Jullie weten niet wie ik ben. Jullie hebben geen idee van mij, geen flauw fucking idee. “Band?” Hij draaide zijn hoofd om naar de zijkant van het podium, waar hij net zelf vandaan was gekomen. “Band, komen jullie ook?” Zodat ik me niet zo alleen voel?
Fletcher kwam als eerste het podium op, daarna Jesse, daarna Tom. Een gitaarroadie sloop achter hen aan naar Milo toe en hing hem de witte Les Paul om. Milo pakte het plectrum die de man hem aanreikte en sloeg kort een E aan.
Was het nou vals?
Milo keek opzij naar Jesse, die hem op zijn beurt ook aankeek.
‘Vals?’ mimede Milo.
Jesse schudde met licht opgetrokken wenkbrauwen zijn hoofd.
Milo keek over zijn schouder, naar Tom achter de drums. Tom stak een duim op.
Shit mijn gitaar is vals en niemand hoort het. En ik ben schor. Wat de hell doe ik hier.
Achter hem hoorde Milo dat Tom aftelde, en ineens speelden ze de intro van zijn nieuwe single, hij zelf ook, en zijn gitaar klonk toch goed, toch? Of niet? Maar hij kon niet meer terug en ineens ging het vanzelf. En het ging geweldig. Zoals Rick had gezegd.

Geplaatst in Milo Morris, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen