CXLIX. Optreden

Piano_sOp het podium stonden alleen een zwarte vleugel met een pianobank ervoor en een aantal gitaren in een rek, met daarvoor een kruk. Verder niets.
Geen band.
Het had Milo niet veel tijd gekost te beslissen dat hij deze showcase alleen zou doen. Hij was verschrikkelijk in de war van wat Fletcher tegen hem had gezegd, en hij had er de energie niet voor op kunnen brengen om in gesprek te gaan met zijn band en ervoor te zorgen dat Tom en Jesse Fletcher zouden accepteren. Om niet te spreken van hoeveel moeite het hem zou kosten zelf weer een normale relatie met Fletcher te krijgen. De releaseparty was te dichtbij en hoe meer Milo erover na had gedacht, hoe meer hij alleen maar muziek wilde maken, zonder iemand, zodat hij niet zou hoeven overleggen, zijn ideeën niet over zou hoeven brengen en geen aandacht zou hoeven besteden aan hoe alles in elkaar zou passen. Dus stond hij hier alleen.
“Doe jezelf toch niet zoveel pijn,” had Rick gezegd, toen Milo hem in tranen had verteld dat hij de showcase alleen wilde doen, en Milo had teruggebeten: “Alles doet pijn, mijn leven doet altijd pijn, al sinds mijn moeder doodging, daar hoef ik zelf helemaal niks aan te doen hoor.” Hij besefte hoeveel zelfmedelijden en slachtofferschap daar vanaf droop, maar hij wilde nu even niet anders. Hij vertelde zichzelf dat hij die pijn en die medelijden voor zichzelf nu even nodig had om dit goed te doen en was aan de slag gegaan met het herschrijven van arrangementen en oefenen voor de show.
En wat wilde hij de cocaïne die hij in zijn broekzak had nu graag. Zo graag. Hij verheugde zich er zo op dat hij zich in moest houden het podium op te rennen om zijn show snel achter zich te brengen.
“Je bent,” fluisterde iemand achter hem.  Milo schudde zijn schouderlange haar naar achteren, haalde diep adem door zijn neus, zette een lichte glimlach op en stapte onder luid applaus in de spotlichten.

Advertenties
Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , | Een reactie plaatsen

CXLVIII. Steun

Piano_sRick kwam de kleedkamer binnen en het scheelde niets of Milo was in tranen uitgebarsten. Maar Rick kon natuurlijk niet weten wat er zojuist was gebeurd; hij dacht dat Milo, zoals gewoonlijk, podiumvrees had, en hij kwam direct naar hem toe om hem in zijn armen te nemen.
Het duurde heel lang voordat Milo erin slaagde geluid voort te brengen en hij piepte zachtjes: “Ik ben bang.” Dichter bij de waarheid kon hij bijna niet komen.
“Dat hoeft niet,” zei Rick geruststellend, “dat weet je toch.”
“Iemand,” begon Milo, maar zijn keel werd dichtgeknepen voordat hij verder kon gaan en hij haalde hijgend een paar maal adem. “Er was hier net iemand.”
“Wat?”
Milo week een stukje terug uit Ricks omarming. “Er was een kerel…” Hij haalde weer diep lucht, hoorde hoe zijn ademhaling piepte. “… die ik niet kende.” Het was hem een raadsel hoe hij die woorden uit zijn strot kreeg.
“Wie was het? Wat deed hij hier?”
Milo schudde hulpeloos zijn hoofd. “Weet ik niet.” Hij gebaarde naar de kaart. “Hij bracht die.” En dit was het moment. Het moment om tegen Rick te zeggen dat hij het misschien wél wist, sterker, dat hij zeker wist dat de kaart van zijn dealer was, en om hem het zakje met de coke te laten zien, te geven, en ervan af te zijn. Maar hij zei en deed verder niets. Behalve hopen dat het niet opviel dat hij was begonnen te beven.
Rick liet Milo los, was in een stap bij de make-uptafel. Hij pakte de kaart en bekeek hem, van de voor- en achterkant, van de binnenkant. Hij las de tekst. “Hoe zag die gast eruit?”
Milo keek Rick alleen aan, alsof hij de vraag niet begreep.
“Milo. Die gast die jou dit ding kwam brengen, hoe zag hij eruit?”
Weer zoveel mogelijk lucht naar binnen zuigend deed Milo zijn ogen dicht, maar hij kon zich de man niet herinneren. Zelfs zijn haarkleur was hij vergeten. “Weet ik niet meer,” zei hij uiteindelijk zachtjes, en hij voelde zich heel erg kwetsbaar. “S-sorry, ik…”
Rick legde de kaart terug op de tafel en nam Milo weer in zijn armen. “O jongen,” zei hij gedempt.
Milo leunde tegen Rick aan. De drug brandde in zijn broekzak. Het was zo heftig dat Milo bijna verwachte dat Rick het zou voelen. Maar dat gebeurde natuurlijk niet.
“Je moet zo op,” zei Rick na even. “Of heb je tijd nodig?”
Milo hoorde tot zijn spijt dat hij snikte. Hij veegde met zijn handen langs zijn ogen, maar die bleken droog.
Rick keek naar Milo’s gezicht. “Trek je dit?”
Het lukte hem nog steeds niet om goed te ademen. Milo knipperde met zijn ogen, haalde weer diep, trillerig, adem, keek Rick ook aan.
“Moeten we uitstellen?” vroeg Rick. Hij klonk hoogst bezorgd.
“Nee,” fluisterde Milo, zijn hoofd buigend, maar hij wist niet zeker wat hij eigenlijk wilde zeggen. Hij was zich er ontzettend van bewust dat hij keuzes kon maken die alles anders zouden maken, maar hij deed niets, omdat hij wist dat iedereen zou denken dat hij gewoon weer onzeker was, zoals zo vele eerdere malen, en niemand zou vermoeden dat hij een goeie twee gram yayo in zijn broekzak had zitten. Na even voelde hij Ricks armen om hem heen en liet zich stevig vastpakken, maar het lukte hem niet ook maar een beetje toe te geven aan de omarming of iets van ontspanning te voelen. Onwillig en wat bruusk maakte hij zich na enige tijd weer los uit Ricks omarming, haalde weer diep, trillend, hijgend adem.
“Kun je spelen? Milo? Kun je spelen?”
Milo keek Rick aan. Hij knipperde met zijn ogen en besloot door de zure appel heen te bijten. “Ja.”

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Zwart

Er zijn van die levensvragen die met regelmaat terugkeren. Ik heb ze ook. Soms worden ze aan me gesteld. Laatst ook weer. Iemand vroeg me: “Waarom draag je toch zo veel zwart?”

Het antwoord is heel makkelijk. Ik hou van zwarte kleren. En nee, ik ben geen verkapte goth (of een openlijke goth for that matter), ik ben niet geobsedeerd door de dood en/of begrafenissen, ik ben geen duister iemand en ik probeer geen mensen op afstand te houden door me ‘eng’ te kleden of te gedragen. Ik hou gewoon erg van zwarte kleding.

Vele jaren heb ik geprobeerd te verklaren waarom ik ervan houd om zwarte kleren aan te trekken. Omdat allerlei mensen ernaar bleven vragen. Omdat leidinggevenden (nee, niet slechts eentje!) ernaar vroegen. “Jacqueline, waarom draag je zwarte kleding? Wat probeer je te verbergen?”

Ik ging het mezelf afvragen. Want als zo veel mensen erover bezig blijven, dan is er misschien wel wat gaande. Iets wat ik nog niet aan mezelf had opgemerkt. Dus zette ik al mijn zelfreflecterende vermogens in om iets te ontdekken. Iets te verzinnen, zelfs. Er moest toch een oorzaak te vinden zijn voor mijn voorliefde voor zwarte kleding, als zo veel mensen het zo op vonden vallen?

Vervolgens gooide ik het op allerlei dingen. Een goeie schutkleur om overgewicht te verbergen. Een manier om mensen af te schrikken. Een manier om op te vallen. Of toch verkapt goth?

Maar het is simpeler. Mensen. Leidinggevenden van allerlei pluimage en van hoog tot laag in een aantal bedrijven. Ik hou van zwart. Als kleur. Als non-kleur, als je wilt. Ik smeer zwart op mijn ogen, ik heb m’n haar jarenlang zwart geverfd. En ik draag zwarte kleding. Omdat het mooi is. Stijlvol. Multi-purpose. Het kan en past altijd. Zwart is neutraal en zwart is sexy.

En als je wilt denken dat ik toch goth ben: ga je gang. Vind wat je wilt vinden. Ik ga er geen andere kleur kleren van dragen. Behalve als ik er zelf zin in heb.

Geplaatst in Bericht, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings | Tags: , , , , , | 1 reactie

CXLVII. Verlangen (alweer)

Piano_sEr ging van alles door Milo’s hoofd, de nare gedachten buitelden plotseling over elkaar heen; gedachten over allerlei rottige zaken die in de envelop konden zitten, van ongedierte tot drugs, of misschien een brief of een kaart waar lelijke dingen in stonden waardoor hij alle moed zou verliezen het podium op te gaan. En hoe kon dit, überhaupt? Hoe kon een volslagen vreemde nou ineens in zijn kleedkamer staan? Hoe kon het dat deze kerel niet tegen was gehouden door iemand?
Maar ondanks alles stond hij op. Deed hij een stap naar de man toe. Pakte hij de envelop aan. Terwijl hij langzaam weer ging zitten zei de man: “Veel plezier vanavond. Hoe zeggen ze dat in het theater? Break a leg?” En met een knikje: “Niet letterlijk, dan, hoop ik voor je.”
Milo produceerde een halfslachtige, flauwe glimlach.
De man wachtte niet op een reactie en verliet de kleedkamer onmiddellijk.
Zo diep mogelijk adem halend staarde Milo naar de deur die achter de man dicht was gevallen. Pas na een hele tijd lukte het hem zijn ogen los te maken en zijn blik naar de envelop in zijn handen te laten glijden.
Er leek een kaart in te zitten.
Hij draaide de envelop om en zag dat die niet eens dicht was geplakt.
Geen ongedierte, dus.
Milo snoof nerveus bij de gedachte. Hij zuchtte een paar keer zo diep mogelijk, trillerig, en opende de envelop.
Er zat een kaart in met kleurige ballonnen erop.
Hij sloeg de kaart open. Binnenin had iemand met een mooi, zwierig handschrift geschreven: ‘Succes! Op de toekomst!’ Geen afzender.
Milo tilde de kaart op om hem rechtop voor zich op de make-uptafel te zetten en pas toen zag hij het kleine envelopje met de afbeelding van een pony erop. Het gleed uit de kaart op de vloer. En Milo’s adem stokte.
Het was alsof hij kon ruiken dat het cocaïne was. Het was alsof hij het al proefde in zijn mond. Alsof hij het al voelde in zijn neus. In een flits zag hij het liggen, de kristallen netjes verdeeld in twee lijntjes, op het tafelblad voor hem, en hij dacht al heel even de eerste hit te voelen nadat hij had gesnoven. Het lukte hem veel lucht naar binnen te zuigen en hij duwde zijn stoel wat van het envelopje op de vloer af, maar hij slaagde er niet in zijn blik van het envelopje af te wenden.
Hij wilde het.
Hij wilde het zo graag.
Er ging een aantal lange ogenblikken voorbij, ogenblikken waarin Milo registreerde dat al zijn poriën begonnen te prikken, dat er transpiratievocht uit zijn nek langs zijn rug liep en dat zijn voorhoofd vochtig werd van het zweet. Hij deed zijn ogen dicht maar bleef het envelopje op de vloer voor zich zien.
Uiteindelijk klopte er weer iemand op de deur van zijn kleedkamer.
En Milo deed wat hij niet moest doen. Hij stond op, raapte het envelopje pijlsnel van de vloer en stopte het in zijn broekzak. De kaart op de make-uptafel leggend zei hij krachteloos: “Binnen.” Zijn stem was hees.
Deze keer was het wel Rick.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | 3 reacties

Vertrouwen

Trapeze Duo“Meer dan ooit is vertrouwen in een merk van grote waarde,” schreef mijn werkgever op intranet. Dat is volgens mij ongelofelijk waar. Niet alleen vertrouwen in een merk, natuurlijk, maar vertrouwen überhaupt. Want niemand vertrouwt een ander meer. Of het nou gaat om uitkeringsfraude of dubbele paspoorten of waar de buren die nieuwe auto en die zonnepanelen van hebben betaald, we vertrouwen elkaar voor geen cent.

Om even bij bedrijven te blijven, en de merken die bedrijven gebruiken om hun producten aan de man te brengen: mensen moeten wel vertrouwen hebben in je merk, anders kopen ze het niet. Meestal is dat waar. Maar hoe gaan bedrijven daarmee om? Op welke manier geeft een bedrijf aan een merk zo veel vertrouwen mee dat klanten zeggen: “nou, dat merk wil ik wel hebben, daar heb ik echt vertrouwen in”? Dat blijken bedrijven nog niet zo eenvoudig te vinden.

Een oplossing waar een financiële dienstverlener mee kwam om rekening te houden met het vertrouwen van klanten was bijvoorbeeld: een tool om de waarde van vertrouwen mee te nemen in een business case. Je leest het goed: een tool om de waarde van vertrouwen mee te nemen in een business case. Weet jij wat ze hiermee bedoelen?

Mijn beste gok is dat ‘vertrouwen’ een getalletje of iets dergelijks moet worden dat mee wordt genomen in een ingewikkelde berekening (waar ook ‘Net Promotor Score’ en andere inspirerende dingen in staan), waar uiteindelijk een getal uit moet komen, dat dan weer in een tabelletje met andere getallen wordt vergeleken om de ‘business case’ het predicaat ‘het proberen waard’ mee te kunnen geven (of het predicaat ‘in de vuilnisbak ermee’ natuurlijk).

Wat ik met heel erg veel worden probeer te zeggen is dit: bedrijven doen niet de juiste dingen om het vertrouwen van klanten te winnen. Ze maken ‘customer journey’s’ waar geen klant aan te pas is gekomen, nemen beslissingen op basis van modellen, ze gebruiken het ‘piepsysteem’ (“we reageren pas als er iemand piept”) om eventuele ontevredenheid de kop in te drukken en ze willen vertrouwen uitdrukken in een getal dat de waarde ervan aangeeft, om de rekenmeesters tevreden te houden.

En ondertussen worden de dingen die bedrijven van jou en mij weten verkocht aan andere bedrijven, en wellicht nog eens, zodat wij (klanten) ineens mails, telefoontjes en online reclameberichten krijgen van bedrijven waar we nog nooit van gehoord hebben, maar die ons best wel goed lijken te kennen (maar, misschien zijn dat wel bedrijven die een tool gebruiken om de waarde van vertrouwen mee te nemen in een business case, je weet het niet).

Voordat je begint aan praten over de waarde van vertrouwen moet je denk ik stilstaan bij wat vertrouwen eigenlijk is en hoe je het verdient. Volgens mij is openheid en eerlijkheid daar de start van. Daar kleven allerlei moeilijkheden aan natuurlijk, want het vertrouwen van een groot deel van de samenleving heeft een zo grote knauw opgelopen dat ze niets en niemand meer geloven en openheid en eerlijkheid zien als een manier om dingen te verdoezelen. Maar het zou een beginpunt kunnen zijn.

De enige manier om ervoor te zorgen dat mensen ‘vertrouwen krijgen in je merk’ is door te doen wat je zegt, en te zeggen wat je doet. Belangrijke mensen en dikke deuren van allerlei bedrijven (de financiële sector voorop) zullen zeggen dat dit te simpel gedacht is, maar volgens mij is het gewoon best simpel. Als je niet kunt doen wat je zegt en niet kunt zeggen wat je doet, heb je iets te verbergen. Vind je het gek als je potentiële klanten je dan niet vertrouwen?

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Inspiratie, Media, Persoonlijk, Politiek, Social media | Tags: , , | 4 reacties

CXLVI. Verrassing

Piano_sEen half uur voordat hij het podium op moest zat Milo alleen in de kleedkamer van de venue waar de showcase voor de release van zijn albums plaatsvond. Hij staarde strak naar zijn eigen spiegelbeeld, onbewust zijn handen bewegend; hij balde ze in vuisten, liet ze weer los, strekte zijn vingers, golfde ermee alsof hij een munt tussen zijn vingers liet dansen, balde ze weer, liet ze weer los, strekte zijn vingers weer. Hij vond dat zijn gezicht er belachelijk kalm uitzag omdat hij wist hoe het kolkte in zijn binnenste. Hij was misselijk en zijn ingewanden deden pijn van de zenuwen. Al een paar keer was hij naar de aangrenzende toiletruimte gelopen maar hij kon niet overgeven, hoewel hij constant de smaak van gal proefde in zijn mond. Elke keer dat er iemand zijn kleedkamer binnenkwam was hij bang dat hij in tranen uit zou barsten van schrik of onzekerheid, maar dat gebeurde steeds tot zijn verbazing niet.
Milo hield zich vast aan de gedachte dat het hem wel weer zou lukken om adem te halen als hij eenmaal op het podium stond, en dat elke poging die hij nu ondernam om kalm te worden op niets uit zou lopen tot hij eindelijk aan zijn piano zat en zou gaan spelen.
Er klopte weer iemand op de deur en Milo zei toonloos, maar hard genoeg zodat degene die voor de deur stond hem kon horen: “Binnen.” Hij wist niet wat hem bezielde, want hij wilde niemand bij zich hebben nu, maar het was eruit voordat hij besefte wat hij zei. Wie hij verwachtte wist hij niet direct, maar het kom niemand anders zijn dan Rick, die al de hele tijd bij hem kwam informeren hoe het met hem ging.
Alsof hij dat niet wist.
Milo hoorde de deur opengaan. Hij draaide zich om naar degene die binnenkwam en was met stomheid geslagen toen hij in het gezicht keek van een volslagen onbekende.
De man glimlachte vriendelijk. Het had iets van iemand die probeert een klein kind niet te erg aan het schrikken te maken.
“Wat wil je,” vroeg Milo, en hij merkte dat hij niet eens genoeg lucht had om die woorden goed uit te spreken, maar nog voordat hij zijn zin had afgemaakt stak de man een envelop naar voren. Een lichtblauwe envelop, formaat A4.
“Een gelukswens,” zei hij. Hij bleef een stukje van Milo af staan, zodat Milo op moest staan om de envelop aan te pakken.
“Van wie?” vroeg Milo.
De man maakte een kleine beweging met zijn hoofd. “Een kennis.”

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXLV. Jaloezie

vintage piano_s“Holy shit.” Dat was wat Fletcher na een heel lange stilte terugzei. En nog eens: “Holy shit. Morris. Holy shit.”
Milo probeerde met alle macht zijn ademhaling onder controle te krijgen. Hij had er geen idee van waarom hij ineens had gezegd wat hij had gezegd. Het was een gedachte die hij niet eens bewust had gehad. Toch? Hij veegde met zijn nog altijd trillende handen langs zijn wangen en ogen, maar ze werden niet droog. Zijn neus ophalend keek hij op naar Fletcher, die zijn hoofd bleek te schudden.
“Je moet even heel eerlijk tegen me zijn,” zei Fletcher, op het moment dat hun ogen elkaar ontmoetten.
“Ik ben eerlijk…” begon Milo, maar Fletcher onderbrak hem.
“Stil. Luister. Je moet even heel eerlijk tegen me zijn Morris. Ben je verliefd op haar?”
Dat klonk Milo zo idioot in de oren dat hij zijn hoofd oprichtte en Fletcher met wijd open ogen aankeek. Er rolden nog altijd tranen langs zijn wangen. “Wat?”
“Ben je verliefd op Laura?”
“Nee!”
“Wat is het dan verdomme met jullie?”
Milo maakte een nietszeggend gebaar met zijn handen, veegde weer langs zijn natte wangen. “Ze is mijn beste vriendin en ik heb haar nodig!”
“Sta ik dat in de weg dan?”
“Nee…” Wat hij had gezegd was ook niet rationeel, dat besefte Milo ook wel. Maar het moest wel echt zijn, anders was het niet zomaar uit zijn mond gevallen. Of wel? Hij schudde opnieuw zijn hoofd, nu met meer nadruk, en vertrok zijn gezicht even van pijn. “Ik hou gewoon van haar, ze…”
“Luister,” zei Fletcher weer, dwingend, zich voorover over de tafel heen buigend. “Zij doet ook al zo vaag als het over jou gaat. ‘Ik hou gewoon van hem’. Ze noemde je haar fucking soulmate, verdomme. Wat moet ik daarvan maken?”
“Weet ik niet,” piepte Milo. Dit ging een heel andere kant uit dan hij had bedacht in zijn toch al niet al te heldere staat. Hij bracht weer zijn handen naar zijn gezicht. Zijn jukbeen en zijn slapen klopten vervaarlijk. Niet boos zijn, dacht hij. En hij snikte vervolgens hardop: “Niet boos zijn.”
Na enkele urenlange minuten haalde Fletcher hoorbaar adem. De lucht uitblazend alsof hij een flinke vlam uitblies ging hij weer rechtop in zijn stoel zitten. Na enige tijd haalde hij met een zucht zijn beide handen door zijn blonde haar. “Oké,” zei hij uiteindelijk.
Het klonk niet geruststellend, of alsof Fletcher echt begreep wat er speelde. Dat kon Milo hem niet kwalijk nemen; hij begreep het zelf niet eens goed. Hij haalde weer diep adem, merkte dat het nu beter ging dan eerder. Voor de zekerheid zei hij zacht: “Ik ben niet verliefd op haar.”
Fletcher knikte weer langzaam, het leek haast onbewust. Na even keek hij Milo weer aan. “Oké,” zei hij nog eens.
“Ik ben nooit verliefd op haar geweest.” Geloof me.
Het was weer een hele tijd stil in de keuken. Toen wendde Fletcher zijn blik af, met een lichte, wat spottende glimlach om zijn mond. Maar de spot bleek voor hemzelf, en niet voor Milo. “Luister.” Fletcher zuchtte diep, en nog eens, alsof hij moed moest verzamelen. Pas na een lange stilte ging hij verder. En wat hij zei drong in eerste instantie absoluut niet tot Milo door: “Morris. Ik ben jaloers op je.”
Pas na enige seconden leek het erop dat Milo’s hersenen hadden verwerkt wat Fletcher had gezegd, en nog leek het alsof hij naar een film keek waarin hij zelf een rol speelde, maar niet echt aanwezig was. Hij voelde dat hij licht werd in zijn hoofd, maar nu wist hij zeker dat het niet was van vermoeidheid. “W-wat bedoel je?”
Fletcher deed even zijn ogen dicht en keek Milo daarna zo direct en open aan dat Milo er bijna van achteruitweek. “Ik ben jaloers op je.” Hij knikte haast onzichtbaar, zijn blik niet afwendend. “Op je talent als songwriter, op je muzikaliteit, op je virtuoze gitaarspel, op je stem. Op dat poppengezichtje van je. Op je uitstraling. En, last but not least, op je relatie met mijn vriendin.”
Milo zocht steun aan de tafel om niet van zijn stoel te vallen, zo duizelig was hij ineens. Christian Fletcher zei dat hij jaloers op hem was. En wel om allerlei redenen dat hij zelf jaloers was op Fletcher. Milo bracht een hand naar zijn gezicht en sloot zijn ogen. Hij hoorde zichzelf hortend en stotend ademhalen. Na enige tijd zei hij: “Maar dat kan helemaal niet.” Zijn stem klonk als die van een kind dat aan zijn ouders uit moet leggen dat hij de lessen op school niet kon volgen.
“Je moet echt weer even gaan liggen,” zei Fletcher.
“Hm,” deed Milo haast onhoorbaar. Hij merkte dat hij niet meer kon nadenken. En dat hij geweldige hoofdpijn had. En er was een raar gevoel in zijn maag, iets was uitgelegd kon worden als verliefdheid, en hij wilde dat het ophield. “Ja.”

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | 1 reactie