CXVIII. Buiten

pianokeysHet waaide op het terras dat aan het water lag, en daarom zat er bijna niemand; alleen een vrouw met een hond en een man met twee kinderen die enthousiast uit een coupe ijs zaten te lepelen. Milo dronk van zijn espresso en deed zijn achter zijn zonnebril verborgen ogen dicht. Toen hij merkte dat hij droomde schrok hij weer wakker.
Het overgebleven beetje espresso in zijn kopje was ijskoud.
Milo dronk het glas water leeg dat hij bij zijn espresso had gekregen en probeerde na te denken, maar zijn brein blokkeerde. Het leek alsof er in zijn hoofd iemand naar hem stond te schreeuwen maar hij verstond geen woord, hij hoorde alleen woedend gebrul. Milo boog zijn hoofd en kneep zijn ogen dicht.
“Kan ik u nog iets te drinken inschenken?”
Hij schrok ervan dat iemand hem aansprak en kon niet met zekerheid zeggen of hij nu weer rechtop in slaap was gevallen of niet. “Ik, eh, ik,” stamelde hij. Hij wreef met een vinger achter het glas van zijn zonnebril in zijn rechteroog, veegde met zijn handpalmen over zijn bovenbenen. “Mag ik een glas water van u?”
“Natuurlijk,” zei de jongen van de bediening, en hij verdween naar binnen.
Er waren meer mensen op het terras nu. Mensen in nette kantoorkleding die staand dronken uit grote wijnglazen, een groepje joggers die aan een tafeltje nipten van één of ander roze yoghurtdrankje. Milo draaide zich met zijn gezicht naar het water, zodat hij met zijn rug naar iedereen toe zat en zo goed als niemand zijn gezicht zou kunnen zien, en trok zijn capuchon nog wat strakker om zijn hoofd.
De jongen van de bediening bracht zijn glas water en Milo bedankte hem met een hoofdknikje. In zijn linkerjaszak vond hij de potjes met de kalmeringstabletten die hij bij zich had gestoken. Een beetje voorovergebogen, zodat hij wat hij deed afschermde met zijn lichaam, schudde hij wat van de pillen die hij bij zich had in zijn hand. Nadat hij beide potjes weer terug had gestopt in zijn jas gooide hij de pillen ze snel in zijn mond en hij slikte ze door met een paar flinke slokken water. Daarna staarde hij voor zich uit. Hij had er geen idee van hoe lang. Maar het was pikdonker toen hij een taxi naar huis nam.

Advertenties
Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXVII. Vermoeden

pianokeysOp een namiddag daalde Milo thuis de trappen van zijn slaapkamer naar de begane grond af. Die ochtend was hij vroeg wakker geworden en hij had nog wat pillen genomen om verder te kunnen slapen, om toen hij zo-even wakker werd tot de ontdekking te komen dat hij de halve dag had geslapen. Of misschien anderhalve dag? Zijn hoofd was mistig en hij was groggy, alsof iemand hem een paar fikse klappen bovenop zijn schedel had gegeven. Voordat hij iets anders deed, slokte hij in de keuken een aantal Xanax naar binnen met een glas water.
De batterij van zijn mobiele telefoon bleek leeg. Hij twijfelde of hij hem op zou laden, en toen hij de stekker van de lader in het stopcontact deed stroomden er tientallen boodschappen binnen op zijn WhatsApp, zijn e-mail en de voicemail. Milo’s ogen gleden langs de WhatsApp-berichten zonder echt iets te zien. De telefoon ging en voordat hij wist wat hij deed nam hij op.
“Hallo?”
“Milo! Waar ben je?” Rick.
Verdomme. Milo deed zijn ogen dicht en voelde dat hij duizelig was. “In bed.”
“Ik probeer je al de hele dag te bereiken.”
“Hm,” deed Milo afwezig.
“Heb je enig idee waarom?”
Milo zuchtte diep. Door zijn wimpers keek hij naar buiten. “Vertel.”
“Omdat je weer terug in de studio zou zijn vandaag.”
Daar herinnerde Milo zich helemaal niets van. ‘Weer terug’? Was hij een paar dagen niet geweest dan? … wat had hij de afgelopen dagen eigenlijk gedaan? Hij dacht na, maar bedacht helemaal niets. Zijn reactie klonk mat: “O.”
“Dat is alles wat je te zeggen hebt? ‘O’?”
Milo deed zijn ogen weer dicht. Wat wil je dat ik zeg, Rick. Zeg maar wat je wilt dat ik zeg en dan zeg ik dat.
“Wat is er met je aan de hand de laatste tijd?”
“Niks,” loog Milo.
“In godsnaam, ik ken je toch. Wil je ergens over praten? Ben je nog bij je therapeut geweest?”
Nee. Al een tijdje niet meer. Hij had haar een tijdje geleden een e-mail gestuurd om haar te laten weten dat hij voorlopig afzag van therapie. Of niet? Milo schudde zachtjes zijn hoofd. “Niet doen, Rick.” Hij hoorde het zichzelf zeggen en kon zichzelf wel wat doen dat hij hardop had uitgesproken wat hij eigenlijk alleen had willen denken.
“Ben je thuis?”
“Nee.”
Rick deed net of hij Milo’s antwoord niet had gehoord. “Blijf waar je bent, ik kom naar je toe.”
Milo drukte de lijn weg voordat Rick zijn zin had afgemaakt. Hij legde de gsm, nog steeds aan de lader, op de rand van de grijze piano. Zonder verder na te denken bij wat hij deed ging hij naar de keuken, waar hij de kleine, cilindervormige potjes met zijn pillen die hij altijd meenam naar de studio in de zakken van zijn hoodie propte; kalmeringstabletten links, slaaptabletten rechts. Hij trok de capuchon over zijn hoofd, deed een leren jas aan over zijn hoodie, griste zijn sleutels van het kastje in de gang en maakte dat hij naar buiten kwam.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

2017

newyearclock_sEerlijk gezegd denk ik dat mensen over 2017 zullen zeggen dat het geen leuk jaar was. Een jaar vol geschreeuw en boosheid, een jaar met ‘fake news’ en ‘alternative facts’, een jaar waarin niemand de waarheid vertelde en iedereen zich af begon te vragen ‘wanneer het eindelijk op zou houden’.

Omdat ik het in het Nederlands niet mooier en vooral niet bondiger kan zeggen doe ik het maar in het Engels: beauty is in the eye of the beholder. En natuurlijk ben ik niet blind voor wat de huidige president van de Verenigde Staten allemaal uitspuugt, en voor aanslagen en diverse Nederlandse politici die dag na dag aantonen dat we 4 en 5 mei wel degelijk moeten blijven vieren, want velen van ons schijnen toch echt te zijn vergeten waarom het hier tussen 1940 en 1945 oorlog was. En toch vond ik het een mooi jaar.

Ik zei op deze plaats al eerder dat ik naïef word genoemd. En dat komt alleen maar doordat ik meestal bezig ben met dingen die leuk zijn, waar ik gelukkig van word en die de wereld een beetje mooier maken. En ik ben er ook trots op, dat ik zo ben. Noem me maar naïef. Maar ondertussen ben ik de meeste dagen van het jaar bezig met leven – en niet met alleen maar overleven. En jij?

2017 was voor mij een jaar van liefde. Van samenzijn. Een jaar waarin ik besloot dat ik mensen niet zou laten vallen, waarin ik niemand in de steek heb gelaten. Waarin ik, ondanks dat het vertrouwd voelde, op verschillende momenten bewust besloot geen slachtoffer te zijn. Een jaar waarin ik tegen alle mensen waarvan ik hou meerdere malen heb gezegd dat ik van ze hou. Een jaar waarin ik mensen heb vastgehouden en gezoend en geknuffeld.

2017 was een jaar waarin ik veel over mezelf leerde. Waarin ik weer besloot te gaan studeren. Waarin ik opnieuw ontdekte wat ‘verbinding’ is. Een jaar waarin ik koos voor mij, en daardoor ook voor anderen. Een jaar waarin ik meer dan ooit zag dat zwart nooit alleen maar zwart is, en wit nooit alleen maar wit. Een jaar waarin ik boos werd en vergaf, waarin ik het gesprek aanging met mensen die ik dacht niet te mogen en ontdekte dat er altijd veel meer kanten aan een verhaal zitten dan je aanneemt. Een jaar waarin ik heel duidelijk zag dat het nooit helpt om alleen maar te focussen op de dingen die je niet wilt, en dat het altijd een positieve uitwerking heeft als je je richt op de dingen die je wél wilt.

Ergens tegen het einde van de laatste Star Wars-film, The Last Jedi (die ik overigens, anders dan allerlei fanatieke, woeste fans van de films uit dezelfde serie uit de jaren ’70, erg kon waarderen), zegt één van de karakters, ene Rose Tico, tegen een hoofdrolspeler met de naam Finn: “That’s how we’re gonna win. Not fighting what we hate, saving what we love.” En dat is een waarheid als een koe. Niemand wint door te vechten tegen wat hij niet wil. We winnen alleen door op te staan voor de dingen waar we van houden.

Een heerlijk, prachtig 2018 gewenst, allemaal.

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Schrijfsels | Tags: , , , , , | 11 reacties

CXVI. Rust

pianokeysOm zichzelf niet al te erg te haten vertelde Milo zichzelf elke dag een paar keer dat hij toch maar mooi van de drank afbleef. En ook dat Xanax, flurazepam, oxazepam en Rohypnol gewoon medicijnen waren die dokters en therapeuten hun patiënten legaal voorschreven, en dat hij zich dus eigenlijk helemaal niet zo ver over de grens van het geaccepteerde en toelaatbare begaf als hij die middelen gebruikte. Ondanks dat ze van zijn dealer kwamen, en niet van een professionele hulpverlener.
Overdag nam hij na het opstaan drie of vier Xanax, met een groot glas water. Daarna werkte hij. Nou ja, hij probeerde te werken. Hij nam een taxi naar de studio, speelde piano of gitaar of welk instrument er ook in zijn handen belandde en keurde bijna alle opnamen die hij maakte dezelfde dag weer af. Als hij thuisbleef schreef hij, maar hij schreef vooral dingen die hij de volgende dag, of soms zelfs dezelfde avond nog, weer weggooide. Soms leken de letters en noten die hij opschreef vanaf het papier naar hem toe te zweven en dan ging hij naar het parkje achter de studio of, als hij thuis was, naar zijn tuin, en rookte één of twee sigaretten. Dan nam hij nog wat kalmeringstabletten, oxazepam en Xanax, tot zijn handen ophielden met trillen.
In de middag, meestal rond een uur of drie, nam hij één of twee flurazepam met twee tabletjes Rohypnol en ging hij slapen. Als hij thuis was lag hij dan op de bank, in de studio kroop hij onder het mengpaneel.
Vroeg in de avond nam hij weer Xanax en oxazepam, en tegen de tijd dat hij wilde slapen nam hij weer Rohypnol en flurazepam, soms samen met nog wat van de kalmeringstabletten als die toevallig in de buurt waren, in willekeurige samenstelling, en dan was hij meestal een uur of vijf buiten westen. Soms werd hij wakker op een plaats waarvan hij behoorlijk zeker wist dat hij er niet was gaan slapen, zoals op de vloer in de keuken of halverwege één van de trappen van zijn huis. Of voorover op de vleugel van zijn moeder. Hij begon het prettig te vinden om wakker te worden aan de vleugel, en nam soms zijn pillen in terwijl hij daar zat. Omdat hij er niet op vertrouwde dat hij niet slaapwandelde en geen rare dingen zou doen tijdens de uren dat hij knock-out was, deed hij van tevoren alle deuren die naar buiten leidden stevig op slot met een aantal sloten. Vaak duwde hij ook het kastje dat in de gang stond nog tegen de voordeur aan, en zette hij de keukenstoelen opgestapeld voor de achterdeur, in de hoop dat hij wakker zou schrikken als hij toch naar buiten zou proberen te gaan gedurende de nacht.
Hij at weinig tot niets. Als Rick in de buurt was, of als er een technicus in de studio was, wilde hij nog wel een halve sandwich naar binnen werken, om de schijn op te houden. Of hij lepelde wat yoghurt naar binnen als hij trek kreeg. Maar meestal had hij gewoon geen zin om iets te eten. Uiteraard zag hij dat hij bleek werd, en dat zijn wangen nog meer ingevallen werden, dat zijn jukbeenderen zich nog scherper aftekenden in zijn gezicht. Maar hij vertelde zichzelf dat hij er jonger uitzag als hij zo dun was. En als hij erg schrok van zijn uiterlijk wanneer hij in de spiegel keek, dan deed hij foundation en poeder op, en mascara en oogpotlood, en soms grijze of witte oogschaduw, en heel soms zelfs lippenstift. Hij zorgde ervoor dat hij hoe dan ook de mooiste jongen was. Vertelde hij zichzelf. En als hij daaraan twijfelde, dan nam hij wat Xanax. Of wat oxazepam. Of, wat het meest voorkwam, beide. En dan was hij trots op zichzelf dat hij dat wegspoelde met water in plaats van wodka.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXV. Charlie

pianokeysInwendig vloekend draaide Milo zich weer naar de bar toe, een hand voor zijn ogen leggend, wensend dat iemand Charlie aan zou klampen voordat die bij hem was en hem aan de praat zou houden, of zelfs mee naar buiten zou nemen. Misschien was er wel een undercoveragent in het café, iemand die Charlie al een hele tijd volgde, en die de tijd nu rijp vond hem aan te spreken en te arresteren. Vergezocht? Milo wenste zo vurig dat dit zou gebeuren dat hij het aan de binnenkant van zijn ogen zag gebeuren. Maar het gebeurde natuurlijk niet.
“Milo,” zei Charlie tegen hem, vriendschappelijk een hand op Milo’s schouder leggend. “Lieve Milo. Mijn lieve vriend Milo.”
Ik ben je vriend niet, dacht Milo, zich tegelijkertijd herinnerend dat hij dat al eens eerder tegen Charlie had gezegd, en dat Charlie hem toen gratis en voor niks drie gram yayo had gegeven, die hij vervolgens door Fletcher door het toilet had laten spoelen. In plaats daarvan zei hij: “Charles.” Hij vermeed het hem rechtstreeks aan te kijken, maar ontmoette toch de blik van zijn dealer in de spiegel tegenover hem en sloeg zijn ogen neer.
“Wat goed om je weer te zien,” zei Charlie, alsof Milo helemaal niet afgemeten had geklonken. “Sinds wanneer kom je weer in cafés?”
Milo wilde niet antwoorden maar zei: “Sinds vandaag.”
“Wat drink je?” Charlie wachtte niet af of Milo zou antwoorden en pakte diens glas. Hij rook aan de vloeistof en tuitte zijn lippen, het glas weer terugzettend voor Milo’s neus. “Netjes hoor.”
“Fuck off, Charlie.”
“Nou, nou, nou.”
Ondanks zichzelf keek Milo naar hem opzij. “Charles… ga alsjeblieft iemand anders lastigvallen.”
“Kijk,” zei Charlie met een resolute hoofdknik. “Dat klinkt al heel anders. Maar ik heb het gevoel dat je mijn hulp wel kunt gebruiken.”
O ja, o ja, verdomme, wat kon hij die hulp gebruiken. Milo zuchtte, deed zijn ogen dicht. Legde de vingers van zijn linkerhand over zijn glas, zodat Charlie er niks in zou kunnen strooien. Hij hoorde Charlie gniffelen.
“Vertrouw je me nou nog altijd niet, Milo?” En toen Milo niet antwoordde: “Je weet toch dat ik je alleen maar help? Heb ik je ooit niet geholpen?”
Milo deed zijn ogen weer open. Hij zuchtte weer, bevochtigde zijn lippen met zijn tong,
keek opzij naar zijn dealer. “Ik heb je hulp niet nodig.”
Charlie glimlachte een glimlach die door onwetende omstanders zou kunnen worden uitgelegd als vriendelijk. Zich naar Milo toe buigend, zodat hij dicht bij diens oor kon praten, zei hij: “Als je er niet uitzag alsof je mijn hulp kon gebruiken, dan was ik hier niet.”
Milo voelde dat hij begon te beven. Hij klemde zijn kaken op elkaar, deed zijn ogen weer even dicht, likte weer langs zijn lippen. Schraapte zijn keel. Na een tijdje slaagde hij erin om te zeggen: “Charlie, laat me alsjeblieft met rust.”
Charlie was even stil en Milo staarde in zijn glas naar de ijsblokjes die in zijn tonic dreven, zijn kaken op elkaar klemmend. Maar het was natuurlijk een illusie om te denken dat Charlie zich af zou laten schepen met een vriendelijk verzoek om te vertrekken.
“Lieve Milo.”
Milo perste zijn lippen op elkaar, knipperde met zijn ogen maar bleef naar de inhoud van zijn glas kijken. Hij deed zijn best niet te laten zien dat hij trilde als een juffershondje dat tegenover een grauwende Rottweiler stond.
“Lieve Milo,” herhaalde Charlie, was dwingender. Hij boog zich weer dicht naar Milo toe, streek een lok haar achter Milo’s oor. Fluisterde, bijna teder: “Laat me je iets geven om rustiger te worden.”
Bij het voelen van de adem van zijn dealer langs zijn oorschelp ging er een koude rilling langs Milo’s ruggengraat die hij tot zijn spijt niet kon verbergen. Hij klemde zijn kaken weer stevig op elkaar, een paar keer achter elkaar, maar reageerde verder niet.
“Geen wit,” zei Charlie, nog steeds bijna teder klinkend. “Je bent al zo gespannen. Maar ik heb wel wat anders voor je.”
Milo zuchtte weer, sloot hoofdschuddend zijn ogen. “Charlie, alsjeblieft.”
“Je hoeft niet te smeken,” zei Charlie gevat. “Hier.” Hij pakte de hand die Milo nog steeds op zijn glas hield en Milo voelde hoe Charlie onder de bar, uit zicht van iedereen, een klein, cilindervormig potje in zijn handpalm drukte. “Kun je lekker van slapen. En vergeten.”
Milo schudde nog steeds zijn hoofd. “Ik wil het niet,” zei hij, maar het klonk allesbehalve overtuigend. Op het moment dat hij opzij keek naar Charlie liepen er tranen uit zijn ogen en hij vervloekte zichzelf. Met zijn rechterhand veegde hij snel zijn wangen droog, maar de vingers van zijn linkerhand vouwden zich om het potje dat Charlie hem had gegeven.
“Goed zo,” zei Charlie zacht. Hij klopte Milo geruststellend op zijn onderrug. “Vier pilletjes voor het slapengaan. Oké?”
Milo merkte dat hij knikte. Zijn ogen sluitend boog hij zijn hoofd weer. Hij voelde zich machteloos en verdrietig. Hij vond zichzelf een verrader, maar hij kon de drugs niet teruggeven, of uit zijn hand laten vallen, of wat dan ook. Hij wilde ze, hij zou ze mee naar huis nemen, hij zou ze slikken. Hoe erg hij zichzelf daar ook om haatte.
“Sms me als je meer wilt.” Charlie klonk alsof hij al zeker wist dat Milo meer zou willen, alsof het een voldongen feit was dat hij hem zou sms’en. En Milo wist dat het zo was. Toen Charlie hem over zijn achterhoofd aaide kromp Milo in elkaar alsof hij werd geslagen. “Tot snel,” zei zijn dealer. En weg was hij.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXIV. Onrust

pianokeysNa iets meer dan een week vroeg Milo zich af hoeveel slapeloze nachten en improductieve dagen hij nog kon hebben zonder knettergek te worden. De Xanax leek helemaal niet te werken, hij was geen moment kalm en zeker niet ontspannen genoeg om ’s nachts te kunnen slapen. Soms lukte het hem een half uurtje of een uurtje weg te dommelen, om dan weer wakker te worden uit een droom die een variatie bleek te zijn op een droom die hij had gehad toen hij op tournee was; dat er iemand in zijn buurt woonde die hem bedreigde en uiteindelijk met grof geweld zijn woning binnendrong. Overdag was hij suf, slaperig en vermoeid, maar als hij dan probeerde te slapen overkwam hem hetzelfde.
Om rustiger te worden was hij meer Xanax gaan slikken dan zijn therapeute hem voor had geschreven, maar dat zorgde er natuurlijk ook voor dat hij er sneller doorheen was. Milo had het hart niet haar te bellen om te vragen of hij een vervolgrecept kon krijgen, dus tekende bij op de verder lege kalender in de keuken aan wanneer hij volgens het voorschrift door de pillen heen zou moeten zijn, om dan legaal te kunnen vragen om nieuwe, en ondertussen bestelde hij met een prepaid creditcard online een grote hoeveelheid extra kalmeringsmiddelen om de tussenliggende dagen door te komen, en nieuwe Xanax om nog extra te kunnen innemen. Het pakket liet hij bezorgen op een groot postkantoor aan de andere kant van de stad, waar hij het ophaalde, met een bril en een pet op en een capuchon over zijn hoofd getrokken, onder een gefingeerde naam die nogal oosters klonk en bijna niet uit te spreken was.
Op een woensdagavond hield Milo het niet meer uit in zijn huis. Rusteloos ging hij de straat op, en hij liep door de stad, kilometers, zonder iets te zien of iemand op te merken, zijn hoofd diep gebogen zoals altijd. Uiteindelijk duwde hij de deur open van een etablissement waar hij zichzelf met regelmaat een geweldig stuk in zijn kraag had gedronken voordat hij de eerste keer naar de afkickkliniek ging. Aan de bar duurde het enige minuten voordat hij de verleiding kon onderdrukken om wodka te vragen, het liefst de hele fles. Uiteindelijk bestelde hij een tonic en hij keek naar zichzelf in de spiegel achter de bar terwijl hij op zijn bestelling wachtte. Een jonge kerel keek terug, vermoeid, zijn ogen een beetje samengeknepen, maar knap als altijd. Milo boog zijn hoofd, draaide het weg. De tonic werd voor hem op de bar op een viltje gezet en hij bedankte de barkeeper zonder op te kijken.
Het was stampvol in het café, zelfs op een woensdag, en niemand lette op iemand anders. De mensen waren zo met zichzelf en hun eigen gezelschap bezig dat Milo er geen moment bang voor was dat hij zelf herkend zou worden. Na even durfde hij het zelfs aan even om zich heen te kijken.
En hij zag zijn dealer, Charlie.
Wat erger was: Charlie zag hem. En kwam onmiddellijk naar hem toe.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXIII. Kapot

pianokeysDe volgende middag besloot Milo uiteindelijk toch maar de telefoon aan te nemen toen Rick weer, vandaag voor de inmiddels tweeënvijftigste keer, belde. “Hi Rick.”
“Milo! Gaat het?”
Milo deed zijn ogen dicht. “Ja hoor.” Hij streek met zijn vrije hand over de toetsen van zijn moeders vleugel.
“Waarom nam je niet eerder op, man. Ik maakte me…”
“Snap ik,” onderbrak Milo hem. “Sorry. Ik was niet in de stemming om te praten.” Sterker, ik ben nog steeds niet in de stemming om te praten.
“Waar was je?”
“In de studio. En daarna thuis.”
Rick zuchtte diep, maar zei niets. Waarschijnlijk omdat hij even niet wist wat te zeggen.
“Ik loop heus niet in zeven sloten tegelijk.”
“Weet ik ook wel.” Rick was even stil. “Maar verdomme, Milo. De klootzak die dit gedaan heeft.”
“Ik weet het.”
“Ik kan hem wel wat doen.”
Ik ook, geloof me. “Tja.”
“Waar ben je nu?”
“Thuis.”
“Zal ik naar je toe komen?”
Milo deed zijn ogen weer open, keek naar de toetsen onder de vingers van zijn rechterhand en daarna naar buiten door het raam aan de voorkant van de woonkamer. “Nee joh.”
“Wil je hierheen komen?”
Opnieuw: “Nee joh.”
Rick zweeg even. Na een tijdje zei hij: “Dit is echt heel heftig, hoor.”
Milo snoof hoorbaar maar het speet hem niet. “Ja, ik weet denk ik heel erg goed hoe heftig dit is.”
“Je weet dat mensen zich alleen de koppen herinneren, hè.”
Diep ademhalend stond Milo op. Hij liet het deksel over de toetsen van de vleugel vallen. De snaren gaven protesterend een veeltonige kreun die zo hard was dat Rick hem gehoord moest hebben aan de andere kant van de lijn. “Hoe naïef denk je dat ik ben, Rick. Je hoeft me helemaal niks uit te leggen over hoe publiciteit werkt, hoor.”
“Milo…”
“Stop.” Milo liep naar de voorkant van de kamer en bleef voor het raam staan, zich ervan bewust dat de paparazzo die sinds enige uren voor zijn huis lagen hem konden zien en nu ongetwijfeld honderden foto’s van hem schoten. “Ik weet het, oké? Het gaat over mij, verdomme. Iemand heeft over mij geluld. Over míj, Rick. Je hoeft niet aan me uit te leggen hoeveel pijn dat doet. Oké?” Hij deed weer zijn ogen dicht, merkte dat hij buiten adem was. “Ik ga kapot. Is dat wat je wil horen? Ik ga kapot. Goed? Maar jouw aanwezigheid, of die van wie dan ook, gaat daar helemaal niks aan veranderen.” Hij haalde weer diep adem, draaide zich met zijn rug naar het raam, denkend: als jullie nou nog geen goeie plaatjes van me hebben, dan is dat jullie eigen schuld. “Laat me gewoon maar even. Ik moet nog een paar keer flink huilen en schelden, en dan ga ik weer gewoon aan het werk.”
“Milo,” probeerde Rick weer.
“Rot op, Rick. Ik wil even helemaal geen gezeik aan m’n kop. Snap je?” Zonder een reactie af te wachten drukte hij de lijn weg.
Rick belde niet terug.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen