XCIII. Alles

hands“Toen mijn moeder omkwam bij dat vliegtuigongeluk,” Milo ging er voor het gemak maar even vanuit dat de meeste mensen dat wel wisten uit de pers (het was immers honderden keren vermeld, in elke bio die er ooit over hem was geschreven, bij bijna elk interview stond dit in de inleiding), “sloot mijn vader zich helemaal af van de wereld. Van alles.” Hij schraapte zijn keel, deed even zijn ogen dicht. Zag zijn vader voor zich. Hoe die totaal instortte in de gang van hun huis, terwijl twee mannen van de vliegtuigmaatschappij in de deuropening van de voordeur toekeken. Pas na even kon hij verder praten. “Hij was… hij was in wezen…” Hij zuchtte, zocht naar woorden. “Hij was gewoon weg, eigenlijk. Net zoals mijn moeder. Hij was er fysiek wel, maar… hij was weg, snap je. Hij sloot zich af van alles. … ook van mij.” Hij zuchtte weer. “En ik was te jong, ik was tien, en ik snapte er niks van dat hij mij niet meer zag staan. Hij zat op de bank in de woonkamer en staarde voor zich uit en huilde en dronk, en verder niets.” Hij draaide zich om naar de groep maar keek alleen naar Bobbie. “En ik had hem nodig, want mijn moeder was dood, maar hij was er niet. En toen…”
Milo deed weer even zijn ogen dicht. Zag voor zich wat hij wilde vertellen voordat hij het vertelde, terwijl hij zocht naar woorden om het in te vatten. Dat hij zo wanhopig wilde dat zijn vader hem zag dat hij alles deed om hem te bereiken. Herinnerde zich alle dingen die hij had gedaan om opgemerkt te worden.
Hij bevochtigde zijn lippen met het puntje van zijn tong, zuchtte weer diep, haalde diep adem. “En toen ging ik dingen doen om zijn aandacht te trekken.” Hij richtte zijn ogen op het plafond, zag de nerven in de witgeschilderde balken, elke minuscule oneffenheid in het stucwerk. Nadat hij weer diep adem had gehaald ging hij door: “Ik speelde op de piano van mijn moeder, terwijl hij me dat had verboden.” Zijn stem werd zachter. “Ik eh… ik imiteerde haar stem als ik zong. En eh… ik… ik deed haar kleren aan.” Zijn ogen even dichtknijpend haalde hij weer diep adem. “Ik smeerde haar make-up op mijn gezicht. Ik… ik… ik zei dingen tegen hem die ik haar had horen zeggen, op de toon die zij gebruikte. Dingen als ‘schatje’ en ‘lieveling’.”
Milo zag zichzelf weer de trap af lopen de eerste keer dat hij een jurk van zijn moeder aan had getrokken, op haar pumps, verrast over hoe makkelijk hij daarop kon lopen. Hij rook de lippenstift die hij op had gedaan, zag hoe zijn wimpers aan elkaar kleefden van de mascara.
Hij keek weer even naar buiten, naar de bomen en de regen, in de hoop zichzelf los te kunnen maken van wat hij voor zich zag alsof het gisteren nog gebeurd was, alsof hij het gisteren nog had gedaan. Om weer terug te komen in de werkelijkheid.
Ik ben Milo Morris. Ik ben eenentwintig jaar, en geen tien. Ik ben in een kliniek voor verslaafden. Ik heb de rest van mijn leven therapie nodig.
Hij kuchte, schraapte zijn keek weer. Vervolgde: “Heel… heel gemeen. Ik was… ik was heel gemeen tegen hem.”
Opnieuw zei niemand iets, tot Bobbie weer de stilte verbrak: “En toen kreeg je wel zijn aandacht?”
“Ja. Hij begon me te slaan.” Milo zweeg even en deed zijn ogen weer even dicht, nu om het gevoel dat het allemaal gisteren was gebeurd voor te zijn en het ver weg te houden. Hij verdrong het beeld van zijn vader terwijl die naar hem toe kwam, woedend, grommend als een beest dat dol is van de pijn. Hij schraapte weer zijn keel. “Ze zeggen wel eens, beter slechte publiciteit dan helemaal geen publiciteit. Dat was het een beetje, wat ik dacht. Beter dat soort aandacht dan helemaal geen aandacht. Ik… ik had liever dat hij me sloeg dan dat hij net deed of ik er niet was. Ik, eh… Als hij me sloeg, dan had ik een soort van… bevestiging dat ik ertoe deed. Hoe krom dat ook was. Ik wilde iets losmaken in hem, wat dan ook. En dat hij me sloeg, dat was in ieder geval iets.” Er gleden tranen uit zijn ogen en Milo veegde ze zachtjes weg, zijn hoofd buigend.
“Dat kan niet leuk zijn geweest.”
Milo haalde zijn neus op. “Nee.”
Nu werd de stilte verbroken door een andere medepatiënt: “Heeft hij je ooit verwond?”
Milo glimlachte zuur, zonder degene aan te kijken die de vraag stelde. “Ja. Hij… ik… ik brak een keer mijn neus. Toen ik met mijn gezicht tegen de salontafel viel. En ik heb een keer mijn kaak gebroken. En mijn handen. Toen hij de deksel van de toetsen van de piano van mijn moeder dichtsmeet terwijl ik aan het spelen was.” En o god, wat nog meer. Ribben gekneusd, hersenschudding, van alles. Van alles. Hij besloot verder niets te zeggen. Het was ook niet belangrijk.
“En wat dan? Ging hij dan met je naar het ziekenhuis?”
Milo schokschouderde maar wendde zijn blik weer af. De tranen bleven tot zijn opluchting weer weg. “Nee. Ik eh… ik ging gewoon weg als hij me had geslagen. Het huis uit.” Hij keek weer naar buiten. “Eén van onze buren bracht me naar het ziekenhuis toen ik mijn neus had gebroken. Ze vonden me erg zielig. Dat was ik denk ik ook wel. Het bloedde verschrikkelijk en ik liep heel hard huilend over straat.” Hij glimlachte meewarig, keek naar de vloer. “Daarna ging ik altijd direct naar hen toe als ik dacht dat er iets was. Als iets veel pijn deed ofzo.” Hij zweeg even, keek in het luchtledige. “Toen ik mijn handen had gebroken viel ik flauw voordat ik bij hen was. Het regende, en daar lag ik dan, op de stoep voor ons huis. Toen liep ik ook nog een longontsteking op.” Een korte lach. “Sorry. Ik kan het niet dramatischer maken dan het was.”
“Vroegen ze nooit wat er aan de hand was?” vroeg Bobbie.
Milo lachte schamper, maar er liepen weer tranen uit zijn ogen. Zijn blik ging weer naar het raam, waar de druppels langs het glas naar beneden stroomden. Hij zuchtte weer diep en het duurde weer even voordat hij antwoordde. “Natuurlijk wel. En dan zei ik dat ik van de trap was gevallen, of tegen de deurpost aan was gelopen. Of wat dan ook. Zij wisten vast wel dat ik maar wat zei.” Hij liet weer een korte stilte vallen. “Ik denk dat ik mijn vader wel in bescherming zou hebben genomen als de kinderbescherming of zo ineens aan de deur had gestaan. Liever die rottige relatie die we hadden dan helemaal niets meer.” Hij merkte dat hij niet meer op kon houden met huilen en veegde snikkend in zijn ogen. “Ik weet het niet,” zei hij zachtjes. En nog eens, fluisterend: “Ik weet het niet. Ik weet het niet.”
“Had je een hekel aan je vader?”
Milo keek weer naar Bobbie, die hem de vraag had gesteld. Hij knipperde met zijn ogen, probeerde weer met beide benen op de grond te komen. “Hm,” deed hij. “Eerst niet. Denk ik.” Hij zweeg weer even, sloeg zijn ogen neer. Voelde hoe de tranen langs zijn wangen liepen, en van zijn onderkaak naar zijn hals. “Aan het einde wel. Het…” Hij schudde licht zijn hoofd. “Het was niet… het was niet goed. Het was, het was eenzaam, en pijnlijk, en vreselijk eigenlijk wel.” Milo zweeg weer even, wreef weer met zijn handen in zijn ogen. “Het was onmacht van hem, dat hij me sloeg. Niet zo zeer kwade wil. Maar onmacht. Hij wist niet hoe hij met mij om moest gaan. Hij wist niet wat hij anders moest doen.” Milo was opnieuw even stil, wachtte tot hij kon ophouden met huilen. Probeerde afstand te nemen van zichzelf. Na even ging hij door: “Ik had het ook zelf uitgelokt, toch. En na een tijd eh… na een tijd… na een tijd zocht ik het ook op als ik iets had gedaan wat niet door de beugel kon. Als ik iets had geflikt, en ergens in mijn achterhoofd zei mijn soms ineens opspelende morele kompas, hé man, dat had je niet moeten doen. Dan ging ik naar mijn pa en dan zorgde ik er zelf voor dat hij me ervanlangs gaf. Niet dat ik hem dan vertelde wat ik had gedaan, maar dan daagde ik hem uit door bijvoorbeeld aan de vleugel van mijn moeder te gaan zitten en te spelen tot hij me van die bank af sloeg. En dan had ik, soort van, op mijn falie gehad voor iets wat ik niet had moeten doen.”
“Jezus, Milo,” zei een andere medebewoner.
Ja, dacht Milo. Zo verknipt ben ik dus. Dit is Milo Morris, iedereen. De verrotte Milo Morris. Hij kan dan wel popster heten te zijn, maar er is niks cools aan die jongen. Hij is gewoon alleen maar hartstikke gek.
Maar hij reageerde niet. Zijn maag deed pijn, en zijn hoofd. “Weet je,” begon hij na even uit zichzelf weer, “achteraf zou ik wel willen dat ik, dat we… dat ik had geprobeerd met hem te praten. Maar onze relatie was verschrikkelijk verstoord. Ik denk… misschien had het wel niks uitgemaakt. Of misschien had het alle verschil gemaakt. Ik weet het niet. Het is achteraf altijd makkelijker hè.” Hij liet weer een korte stilte vallen, wendde zijn blik weer af. “Maar als het was gelukt… als het was gelukt om met elkaar te praten… als het was gelukt, dan was hij er misschien nog geweest.” Hij sloeg zijn ogen weer neer.
Daar. Dat was het. Als ik een beter zoon was geweest, dan was mijn vader er misschien nog geweest. Precies dat.
Hij haalde diep adem, en nog eens. “Om aandacht van hem te krijgen was ik een kreng geworden, een snertjong, zei hij altijd tegen me, en ik was te jong om te begrijpen hoe dat was gebeurd en te jong om te weten hoe ik dat om kon draaien. Of ik dat überhaupt om kon draaien. Maar ik heb me zo verschrikkelijk gedragen tegen hem. Misschien was voor hem gewoon wel…” Hij kon zijn zin niet afmaken omdat zijn stem brak en er rolden weer tranen uit zijn ogen. Na even ging hij verder: “Het was denk ik voor hem gewoon wel makkelijker om mij alleen te laten.”
“Is dat niet gewoon egoïstisch…” begon Bobbie.
“Nee!” onderbrak Milo haar hard, haar recht aankijkend. “Nee. Ik was de fucking egoïst van ons beiden, niet hij. Hij wilde van me houden en ik gaf hem die mogelijkheid niet.”
“Dat weet je toch niet,” zei Bobbie.
“Wel.” Milo deed zijn ogen dicht, zocht naar woorden. Probeerde met alle macht bij zijn emotie weg te komen, weg te blijven. Het duurde heel lang voordat hij weer verder ging: “Ik vond op een gegeven moment een hele kist vol met bladmuziek en teksten die hij had geschreven na de dood van mijn moeder. Allemaal liedjes die gingen over haar en, eh… over mij.” Korte stilte. “Over mij, weet je.” Er liepen weer tranen uit zijn ogen. “Er lag een briefje bovenop in die kist. Daar stond op: ‘Jij weet wel wat je hiermee moet doen’,” Hij boog zijn hoofd, snikte weer hoorbaar. “‘Mijn briljante zoon’.” Milo zag het handgeschreven briefje voor zich, de grote, ronde, sierlijke letters, en hij deed zich geen moeite zijn tranen weg te vegen. Er stond ook nog: ‘Liefs van je vader’, maar dat kreeg hij niet uit zijn mond, heel zijn wezen weigerde dat te zeggen. Omdat hij zeker wist dat hij helemaal kapot zou gaan als hij dat hardop zei. Hij had zo gehuild, die avond toen hij dat briefje vond; hij kon al huilen bij de gedachte aan hoe erg hij had gehuild. Het was hem ineens een raadsel hoe het hem was gelukt dat nummer van zijn vader te spelen, elke avond tijdens de tour. Snikkend en stamelend vervolgde hij: “Hij hield wél van me, en ik… dat heb ik nooit beseft, maar hij… Ik was alles wat hij had. En ik heb hem in de steek gelaten, weet je. Mensen kunnen zeggen wat ze willen, dat hij mij eerst in de steek liet, bijvoorbeeld, maar het is… het is… het is gewoon… Ik heb hem zo veel pijn gedaan dat hij niet verder kon.” Hij snikte weer. En hij wist het ineens zeker. Hij zou echt nooit meer kunnen spelen.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

XCII. Reactie

Piano_sWekenlang zweeg Milo vervolgens tijdens allerlei groepssessies, zelfs wanneer hem een vraag werd gesteld. Maar toen iemand dan uiteindelijk iets zei waar hij op reageerde, wist hij dat hij niet meer terug kon.
Het gebeurde vrij onverwacht. Om hem uit zijn tent te lokken haalde Roland, ja, stomme Roland, de krantenkop aan die uiteindelijk had geleid tot Milo’s terugval aan het einde van zijn laatste tournee, ‘Milo Morris: ik heb mijn vader vermoord’, en Milo snauwde tot zijn eigen verbijstering plotseling fel: “Tja, soms verzinnen ze iets, en soms schieten ze per ongeluk raak.”
De leider van de groepstherapiesessies, psychiater Jonathan, keek lange tijd naar hem, terwijl Milo tot zijn spijt merkte dat zijn wangen rood werden. “Bedoel je dat dit verzonnen was, of dat het klopt?”
“Dat het klopt,” antwoordde Milo scherp, en hij had onmiddellijk spijt. Hij zuchtte diep, stond op, liep met grote passen naar het raam. Zijn gezicht gloeide. Hij schaamde zich dat hij zich uit zijn tent had laten lokken en beet gefrustreerd op zijn onderlip.
“Maar je vader koos er zelf voor een einde aan zijn leven te maken,” zei Bobbie.
“Ja,” zei Milo afgemeten. Hij baalde verschrikkelijk van zichzelf. Waarom had hij dan ook iets gezegd? Waarom had hij zich niet nog een keer kunnen beheersen? Hij voelde dat heel zijn wezen beefde en moest zich grote moeite doen dat niet te laten zien.
“Maar daar kun jij toch niets aan doen?”
Milo maakte een hulpeloos gebaar met zijn beide armen. “Jawel!” Hij schreeuwde plotseling bijna en dat speet hem niet eens. “Daar kan ik wel wat aan doen!”
“Hij heeft zichzelf toch verhangen?”
Die woorden werkten als een plotselinge, venijnige klap tegen zijn hoofd. Milo zag zijn vader voor zich, zoals die aan zijn stropdas in de kast in de voorkamer had gehangen, en dat raakte hem snoeihard. En hij brak totaal. Hij brak in duizenden stukken. Hij kon het niet meer tegenhouden, hoe graag hij ook wilde. “Omdat ik een onuitstaanbaar kolerekind was!” Er was wanhoop in zijn stem en uit het niets stroomden de tranen plotseling langs zijn gezicht, maar voor het eerst sinds tijden interesseerde het hem helemaal niks dat andere mensen hem zagen huilen en wat ze daardoor wel niet van hem zouden denken. Zijn hart en ziel deden zo veel pijn dat hij niet anders kon. Hij snikte hard. “Als ik niet zo verschrikkelijk was geweest dan had hij misschien, dan zou hij misschien…”
Niemand reageerde.
Milo draaide zich met zijn rug naar de groep toe en keek uit het raam, naar de regen, naar de oprit naar de kliniek, naar de bomen waar het water vanaf stroomde alsof het zijn eigen tranen waren. Pas toen hij weer op was gehouden met huilen vroeg Bobbie: “Wat had je gedaan dan? Waarom was je een onuitstaanbaar kolerekind?”
Zijn ogen sluitend haalde Milo diep adem. Hij schudde licht zijn hoofd. En besloot dat het dan maar moest. Dat hij dan maar zou vertellen over zijn vader, en de relatie die hij met hem had, en waarom dat was. Want, verdomme, hij was er zelf over begonnen. Nu zou hij het ook gewoon maar uitspreken.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

XCI. Lucht

Piano_sMilo zat in een hoek in de gezamenlijke ruimte, zijn knieën opgetrokken op zijn stoel, zich zo klein mogelijk makend, en keek naar hoe zijn medepatiënten zich bezighielden met het maken van tekeningen en andere handenarbeid. Allemaal mensen tussen de twintig en de dertig, de meesten eerder dicht bij dertig dan bij twintig. Allemaal ouder dan hij. Ze besteedden weinig aandacht aan hem; de meesten gedroegen zich zelfs alsof hij er niet was.
Zijn weigering mee te doen aan welke activiteit dan ook werd door iedereen voor kennisgeving aangenomen, zelfs door de therapeuten die er rondliepen. Het enige wat ze van hem vroegen was dat hij ‘erbij’ was, wat uiteindelijk dus betekende dat hij in een hoek op een stoel zat terwijl de anderen zich braaf wijdden aan hun therapie.
Hij deed niets anders dan de vorige keer dat hij hier was. Zwijgen, kijken, zonder te protesteren zijn medicijnen nemen, eten wanneer hem dat werd opgedragen, nukkige gesprekken voeren met zijn persoonlijke begeleider en, als hij alleen in zijn kamer was, huilen. Hij probeerde niet te denken aan wie hij was, en welk leven hij leidde als hij niet hier zat, want dan golfde de paniek door hem heen. Stel je voor dat ze hem, net zoals de vorige keer, na een paar maanden naar buiten bonjourden omdat het er door zijn nette gedrag op leek dat hij ‘genezen’ was? Wat moest hij doen als hij hier niet was? Wie zat er op hem te wachten als hij niet eens op zichzelf zat te wachten? En wat moest hij met zijn leven? Er was een groot, zwart gat waar zijn leven hoorde te zijn. En het lachte hem uit. Elke dag.
Een stem haalde hem plotseling uit zijn overpeinzingen: “Hé Milo. Gebruikte je als je op moest treden? Of omdát je op moest treden?”
Milo keek op naar de grote tafel waar zijn medepatiënten zaten. Een aantal van hen keek zijn kant op. Degene die de vraag had gesteld was ene Roland, die hier al langer zat dan de anderen en zich soms gedroeg alsof hij een niet al te stiekeme infiltrant was van de medische staf, door ineens provocerende vragen te gaan stellen.
Rot op, stomme Roland met je stomme vragen.
Milo glimlachte zuur en gemaakt maar antwoordde niet. Hij haalde diep adem en constateerde tot zijn schrik dat hij bijna geen lucht binnen kreeg.
Nee nee nee. Niet gaan hyperventileren. Niet nu. Alsjeblieft.
“Ik snap er niks van,” zei Roland, die zich blijkbaar had voorgenomen dat hij Milo hoe dan ook zou breken vandaag, “Dat iemand die zo mooi en rijk en succesvol en knap en jong is, zichzelf zo naar de knoppen helpt.”
Een vrouw die maar een paar jaar ouder was dan Milo nam het voor hem op: “Nee als je een oud lelijk vod bent zoals jij heb je daar het alleenrecht toe.”
“Bobbie,” zei de begeleider van de handarbeidsessie vermanend. “En Roland. Kom op.”
Milo beet op zijn onderlip. Hij opende zijn ogen weer en zag minuscule lichtpuntjes exploderen in zijn blikveld. Ze bleven, ook toen hij zijn ogen weer sloot. Milo voelde dat hij licht werd in zijn hoofd en zijn vingers begonnen te tintelen. Toen hij diep lucht probeerde te halen merkte hij weer dat het niet lukte. Een volgende poging hielp ook niet. Zijn ademhaling werd sneller en korter. Duizenden spelden prikten over heel zijn lichaam in zijn vel. Hij kuchte, veegde langs zijn ogen en wangen en stond op.
Niet in paniek raken. Niet in paniek raken. Niet in…
“Gaat het?” vroeg Bobbie.
“Ik krijg geen lucht,” murmelde Milo. Hij haalde weer diep adem, piepend en voor iedereen hoorbaar deze keer, en kreeg een hevige hoestbui. Duizelig probeerde hij houvast te zoeken aan de stoel waarvan hij zojuist van opgestaan, maar hij vond niets. Weer hapte hij vruchteloos naar lucht. Hoewel hij zichzelf nog steeds vermanend toesprak wist hij dat hij te laat was. Hij was al in paniek. Hij hyperventileerde al. Godverdomme. “Help me.”
Het was Bobbie die naar hem toe kwam.
“Sorry,” fluisterde Milo, zijn ogen gesloten om haar niet aan te hoeven kijken. Hij haalde gierend adem. “Sorry. Sorry.” Hij besefte dat hij tegen zichzelf sprak. Hij hoopte dat hij niet hardop sprak.
“Rustig maar,” zei Bobbie. Haar stem klonk warm en beschermend. Ze zorgde ervoor dat hij weer ging zitten, streek zijn haar uit zijn gezicht. “Haal langzaam adem.”
Milo slikte, kreunde, schudde hulpeloos zijn hoofd.
“Rustig. We halen even langzaam adem. Samen.”
Hij probeerde adem te halen maar werd alleen maar duizeliger.
“Sst. Rustig aan, diep ademhalen. Vertrouw me. We gaan drie seconden heel kalm inademen. Doe je mee?”
Zacht kreunend kneep Milo zijn ogen dicht.
“Goed zo. Kom. Eén,” Bobbie haalde adem, “twee,” ze haalde weer adem, “Drie.”
Tot Milo’s verrassing lukte het hem lucht te halen.
“Goed zo. En nu langzaam weer uit. Heel langzaam. In zes tellen.”
Milo telde in gedachten mee met Bobbie, die hem hardop instrueerde. Zijn ademhaling werd kalmer. Na en paar keer drie seconden in en zes seconden weer uit te hebben geademd merkte hij dat zijn lichaam zich ontspande.
“Goed zo,” zei Bobbie nog eens tegen hem.
Maar hij vond zichzelf helemaal niet goed. Tegen wil en dank begonnen er weer tranen uit zijn ogen te stromen.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Idealist

In iedere cynicus schuilt een teleurgestelde idealist.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Principieel

kabinetHet kan niemand ontgaan zijn dat “de formatiegesprekken zijn geklapt” op 13 juni. Hoofdschuldige is volgens velen blijkbaar de onervaren, naïeve, ongeïnformeerde, niet-pragmatische Jesse Klaver van GroenLinks. Een paar dagen heb ik de berichtgeving gevolgd. En ik ben geïrriteerd. Of eigenlijk boos. Nee wacht, ik ben verbijsterd. Daarom wordt dit waarschijnlijk geen literair hoogstaand stukje. Jammer dan.

De reden dat ik, na een paar dagen tegen mezelf volhouden dat ik niet met mijn mening te koop zou gaan lopen, ineens de onbedwingbare neiging voelde om een stukje te ‘pennen’ is de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant van vanmorgen. Mijn vingers begonnen onbedwingbaar te jeuken terwijl ik dit las: “Mark Rutte is de meester van de papieren werkelijkheid. Politiek management is meestal weinig anders dan het naar je hand zetten van de werkelijkheid.” Want ja. Dat is precies wat Rutte de afgelopen jaren heeft gedaan. Iets (laten) opschrijven, en daar dan vervolgens een werkelijkheid omheen bouwen waardoor dat wat er op papier staat net niet gelogen is. En dat is precies waarom ik niet heb gestemd op de partij van Mark Rutte. Die westerse maakbaarheidsgedachte, waarin we de werkelijkheid in heel precies gekozen bewoordingen overzichtelijk maken, zodat we hem vervolgens kunnen manipuleren op een manier die onszelf het meeste oplevert, maakt me misselijk.

Volgens mij had half Nederland er overigens in meer of mindere mate zijn neus van vol, van de dagelijkse herformulering van de werkelijkheid door politiek Den Haag. In de afgelopen maanden zag ik geweldige tirades op verschillende sociale media van mensen van allerlei pluimage, die zich beklaagden over hoe premier Rutte de boel nú weer opgelicht had. Het kon zo niet langer! Er moest nodig iets veranderen! En kreten met minder vriendelijke bewoordingen over de manier waarop onze minister-president zijn politiek (en die van zijn partij) bedrijft, en met meer uitroeptekens.

Maar als we zo graag verandering willen, waarom zijn we dan collectief zo weinig bereid om te veranderen? Iedereen vindt het o zo belangrijk ‘dat er iets verandert in de politiek’, maar als puntje bij paaltje komt, moeten politici tijdens formatiegesprekken uiteindelijk toch vooral ‘pragmatisch’ zijn en vooral veel, heel veel, verschrikkelijk bloody veel water bij de wijn doen (totdat je dus niet meer proeft dat het wijn is. Tja, jij ongeïnformeerde naïeveling, zo werkt dat nou eenmaal in de politiek). Ja lieve medelanders, op die manier verandert er natuurlijk nooit iets.

Ondertussen wordt idealisme altijd en eeuwig versleten voor naïviteit, voor ongeïnformeerd zijn en voor niet-pragmatisch zijn. Maar de enige manier om iets te veranderen, om iets, ik zeg maar wat, béter te doen, is om niet weer mee te gaan in de aloude hypocrisie die al eeuwig voor ‘normaal’ wordt gehouden binnen het politieke speelveld. Om niet weer, zoals blijkbaar usance is, je principes te verloochenen om maar (mee) te kunnen regeren. Maar dat is precies wat Jesse Klaver werd verweten, de afgelopen twee dagen. Dat hij niet zo belachelijk principieel moet zijn, want dan kom je dus nooit aan de macht.

Onze vrienden van de VVD en het CDA, die het volgens hele volksstammen beter begrepen hebben omdat ze al veel langer meedraaien in de politieke carrousel dan die onervaren Klaver, vinden het volkomen normaal dat je mensen dingen belooft zolang je probeert ze over te halen op je te laten stemmen, om daarna doodleuk iets totaal anders te gaan doen. Hypocrisie is schijnbaar iets wat bij politiek hoort. Iedereen die niet hypocriet doet, is per definitie af. En toen zat daar dus die zogenaamd onervaren Jesse Klaver, die ene politicus sinds mensenheugenis die campagnebeloften niet alleen goed vindt zolang er zieltjes gewonnen moeten worden voor de verkiezingen, maar die vindt dat belofte ook schuld maakt. En Jesse Klaver is dan volgens de goegemeente degene die de boel heeft vernacheld? Jesse Klaver was daar aan tafel de enige die heeft gedacht aan zijn principes en idealen!

Een gewaardeerde vriend van mij vertelde me dinsdagavond dat politiek en idealen niets met elkaar te maken hebben. Maar met die diep-cynische gedachte kan, nee, wíl ik niet door het leven gaan. Ik word er doodziek van dat mensen die principieel zijn, die hun rug recht houden voor hun idealen en die verandering nastreven niet-pragmatisch worden genoemd, of naïef, of ongeïnformeerd. Ik ben alle drie niet, en Jesse Klaver ook niet, verdomme.

Geplaatst in Media, Persoonlijk, Politiek | Tags: , , , | Een reactie plaatsen

XC. Ademnood

Piano_sOdette, zijn ‘persoonlijke begeleider’, oftewel zijn persoonlijke psych, zat in een stoel tegenover de bank waar hij op zat. Haar gezicht veranderde niet van uitdrukking toen hij haar aankeek; haar blik was neutraal en kalm. Na een tijdje vroeg ze rustig: “Gaat het weer?”
Milo knikte. Hij sloeg zijn ogen neer, keek naar zijn handen, die hij in elkaar verstrengeld had. Bevochtigde zijn lippen met zijn tong.
“Je kreeg een paniekaanval in de groepstherapiesessie.”
Milo knikte weer maar zei nog steeds niets. Daar hoefde ze hem niet aan te herinneren, hij vond het vernederend genoeg dat hij hyperventilerend bijna flauw was gevallen omdat iemand opmerkingen had gemaakt over hoe bekend hij was buiten de muren van deze kliniek. ‘Cool’, had zijn medepatiënt gezegd, en Milo had gedacht, aan mij is niks cool. Ik probeer alleen maar een gigantisch gat in mijn ziel te vullen, en dat lukte niet met beroemd worden, dus ging ik aan de dope en drank. Allesbehalve cool. Maar in plaats van een scherpe opmerking te maken ging hij zo hevig hyperventileren dat hij sterretjes en zwarte vlekken zag voor zijn ogen en uiteindelijk bijna onderuitging. Zijn ingewanden deden nog steeds zeer en hij voelde zich heel klein en breekbaar.
“Weet je nog wat er werd gezegd?”
Na even schudde Milo zijn hoofd. Zachtjes zei hij: “Laat me gewoon maar even.”
Odette gaf nog niet op. Ze was even stil maar vervolgde toen: “Wat gebeurde er met je?”
“Weet ik niet,” fluisterde Milo.
Odette zweeg.
“Mag ik,” begon Milo na een lange stilte. Hij schraapte zijn keel maar fluisterde nog steeds bijna: “Mag ik hier later over praten?”
“Waarom niet nu?”
“Milo deed zijn ogen dicht. “Alsjeblieft?”
Odette bleef weer lang zwijgen. Uiteindelijk zei ze: “Zal ik je naar je kamer begeleiden?”
“Hoeft niet.” Zonder nog naar haar te kijken stond Milo op en hij verliet de ruimte. Pas op zijn kamer merkte hij dat de tranen weer over zijn wangen liepen.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Godsdienst (of: waarom ik pissig ben op paganisten)

paganismeEen paar weken geleden was ik op uitnodiging van vrienden meegegaan naar de jaarlijkse open dag van de Nederlandse tak van een club die zich Pagan Federation International noemt. Een bijeenkomst van allemaal mensen die zichzelf ‘paganist’ noemen. Ik begrijp dat die term uitleg behoeft, dus dat doe ik eerst. En daarna ga ik in op de titel van dit stukje.

Een paganist is, kort gezegd, een heiden. Maar pas op: een paganist is geen ongelovige. Paganisten hangen net zo hard een soort van religie aan als christenen of moslims. Hedendaags paganisme is min of meer samengesteld uit gebruiken uit voorchristelijke natuurreligies, vaak gemengd met new-age-zaken en, jawel, een zekere aanbidding van goden, zij het niet Allah of God, maar Odin en Thor (nee, niet de Marvelheld), onder andere.

Stoom uit mijn oren
Daar is niets verkeerds aan, net zoals ik vind dat er niets verkeerds is aan het belijden van welke religie dan ook, zo lang je maar niemand lastigvalt (of probeert te vermoorden). Met een open geest ging ik dan ook mee naar de open dag van de Pagan Federation. Om aan het einde van de dag woedend en met stoom uit mijn oren door de nabijgelegen bossen te stampen, wachtend tot de vrienden waarmee ik was gekomen naar huis zouden gaan, mezelf begeleidend met het mantra “kutpaganisten, kutpaganisten”. Waarom? Omdat paganisten, of in ieder geval de meeste paganisten die ik hier op dit feestje tegen kwam, het tegenovergestelde zijn van wat ze pretenderen te zijn. Als ik ergens verschrikkelijk boos om kan worden, dan is het om kwezelarij. En dat was precies waar ik de hele dag mee werd geconfronteerd. Paganisten zeggen dat ze open staan voor alles en iedereen, alle meningen respecteren en hartstikke tolerant zijn. En dat blijkt gewoon niet waar.

Verschanst in een fort
De mensen die ik tegen kwam op de open dag van de Pagan Federation klaagden er bijna allemaal over dat niemand ze begrijpt. Ik kwam allemaal mensen tegen die zich op één of andere manier afzetten tegen de maatschappij en alles wat daarin gangbaar is. En ik begrijp best dat er dingen gebeuren waar je het niet mee eens bent. Maar als de medemens je aan het hart gaat, waarvan de door mij aangesproken paganisten zonder uitzondering allemaal aangaven dat dit het geval is, dan probeer je de samenleving toch in ieder geval een beetje beter te maken? Dan doe je toch op zijn minst een poging om te komen tot (wederzijds) begrip? In plaats daarvan laten de meeste paganisten zich niet benaderen, laat staan begrijpen. Liever verschansen ze zich in hun fort, hangen een groot bord buiten met ‘jullie begrijpen ons toch niet’ (en een ander bord ernaast, met ‘en wij willen jullie ook niet begrijpen’) (o en nog een bord: ‘dus wegwezen’) en houden andersdenkenden en de maatschappij in het algemeen met het mes tussen de tanden buiten. Wat ze vervolgens doen binnen de muren van dat fort wordt door henzelf afgeschermd alsof het gaat om een diep geheim, waar gewone stervelingen zich vooral niet mee moeten bemoeien.

‘O, wat zijn we toch anders!’
Tijdens de zoektocht naar een locatie om deze open dag te kunnen organiseren vertelde de organisatie maar liever niet waarvoor de locatie zou worden gebruikt, want dan zouden ze zeker niet geaccepteerd worden. Maar kom op mensen, zelfs de organisatie van de alom geminachte Paranormaalbeurs vindt onderdak in gerespecteerde conferentiezalen en zelfs voetbalstadions. Kan het zijn dat het niet geaccepteerd worden niet ligt aan wat jullie zeggen te zijn, maar meer aan jullie aanvliegroute? ‘O, wat zijn we toch anders, ze zullen ons wel niet accepteren!’ Logisch dat je niet wordt begrepen als je de aansluiting niet zoekt. Hoewel ik het idee kreeg dat deze paganisten vinden dat de ander de aansluiting maar moet zoeken. Hoe tolerant.

Hypocrisie is ook paganisten niet vreemd
Op de webpagina van de Pagan Federation Nederland valt te lezen dat zij maar één ding vragen “van andere religies, en van de maatschappij als geheel”: tolerantie. Maar als ik één ding niet tegenkwam op de open dag van de Pagan Federation, dan was het tolerantie ten opzichte van andersdenkenden, in het bijzonder andere religies. Het christendom kon op elk moment, van iedereen (gevraagd of ongevraagd) en vanuit elke hoek een veeg uit de pan krijgen. Net zoals de andere wereldreligies overigens. En maar roepen dat ze zich niet gehoord voelen op internationale bijeenkomsten met vertegenwoordigers van andere religies. Terwijl ze zichzelf op die bijeenkomsten vooral opstellen als mensen die de ander willen overtuigen van hun gelijk. De paganisten die ik op deze open dag ontmoette vinden dat ze de waarheid in pacht hebben, en dat andere religies er niks van hebben begrepen. Dat is geen tolerantie, dat is aanmatigend. Het is arrogant. En het is hypocriet.

“Kutpaganisten, kutpaganisten”
En dus liep ik in het bos aan de overkant van de weg van de locatie waar het evenement gehouden werd, terwijl mijn vrienden binnen zaten te genieten van de folkband die de dag afsloot. Ik was ontzettend boos op iedereen. Alles wat ik over de jaren heen had gelezen (en van vrienden had gehoord) over het paganisme bleek een farce. Verdraagzaamheid, tolerantie, begrip? Nee man. Terwijl de bezoekers van dit evenement precies die dingen wel allemaal verwachten van alle andere mensen op de wereld! Woest was ik. Ik gebruik de platte benaming van het vrouwelijk geslachtsdeel zelden als scheldwoord, maar het was de lelijkste term die ik kon bedenken en de enige die enig recht deed aan mijn teleurstelling. “Kutpaganisten,” foeterde ik, door op elkaar geklemde tanden, “kutpaganisten, kutpaganisten.” De hertjes die ik tegenkwam op mijn pad vluchtten niet eens; ze slopen nieuwsgierig door de struiken heen naar de volgende plaats waar ze mij tegen konden komen om me nog eens te kunnen zien.

Meer afstand
In de auto terug naar huis vroeg één van mijn vrienden wat ik had gevonden van de dag, en dit was dan mijn moment om mensen teleur te stellen. Nee, ik vond het niet leuk. En dat was los van de slechte organisatie, waar ik ook een boekje over kan opendoen (dat boekje deed ik ook open in de auto op de terugweg, maar laat ik dat hier niet doen). Jammer genoeg werd mijn vooroordeel ten opzichte van hartstochtelijk beleden religie ook op deze dag bevestigd, nota bene door mensen die zeggen de meest vriendelijke, tolerantie religie van alle aan te hangen. Afijn, één lichtpunt dan: paganisten rijden niet met busjes in op argeloze voetgangers en zijn niet bezig met het onthoofden van mensen die hun denkbeelden niet delen. Aan de andere kant: altijd vinden dat de rest van de wereld je niet begrijpt zorgt ook alleen maar voor meer afstand tussen mensen.

Geplaatst in Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Schrijfsels, Uncategorized | Tags: , , | 2 reacties