CXXXIV. Hulpvraag

vintage piano_sMiddenin de nacht stuurde Milo een WhatsApp naar Fletcher. Hij had er geen idee van wat hij eigenlijk bedoelde te doen, want hij was bang voor Fletchers afwijzing. Maar hij vreesde zichzelf nog meer. Want hij was bang dat hij niet tegen zichzelf op kon vannacht. Hij was nog steeds zo woedend. Hij wilde huilen en schreeuwen, hij wilde bloed zien, zelfs al was het zijn eigen bloed. Hij wilde iets hebben wat hem zou helpen, iets wat hem sterker zou maken en hij stierf de moord voor dat gevoel.
Dus stuurde hij een WhatsApp naar Fletcher.
‘Bel me alsjeblieft.’
Hij legde de smartphone op de rand van zijn moeders piano en leunde voorover, zijn armen op de toetsen, zijn hoofd erop, en hij wachtte tot hij bericht terug zou krijgen of in slaap zou vallen. Het maakte hem niet uit welke als eerste zou komen. Als het maar sneller was dan zijn wil om zijn dealer te bellen – een drang waarvan hij elke seconde voelde dat hij dichterbij was gekomen, waarvan hij wist dat hij hem uiteindelijk niet tegen zou kunnen houden, hoe graag hij ook wilde, hoe hard hij ook vocht.
Net toen Milo dacht dat hij zijn ogen niet meer open zou kunnen krijgen van vermoeidheid en hij een soort van opluchting voelde omdat hij in slaap zou vallen voordat hij iets zou doen waar hij eeuwig spijt van zou krijgen, ging zijn telefoon. Hij hoorde zichzelf steunen, zuchten. Moest zich geweldig inspannen om toch zijn ogen te openen. Om overeind te komen om het toestel te pakken.
Zijn stem raspte. “Hallo.”
“Morris.”
“Chris.”
“Wat is er?”
“Je belt me.”
“Ja. Je vroeg of ik je wilde bellen. Dus. Wat is er?”
“Je belt me,” zei Milo weer, en hij deed zijn ogen dicht omdat hij zich ineens duizelig voelde. Hij haalde diep adem. “Je belt me,” zei hij nog eens, nu fluisterend.
“Morris. Wat is er?”
Milo zuchtte, diep, trillerig. Hij deed zijn ogen dicht, leunde met zijn hoofd op de piano. “Praat met me,” zei hij na even.
“Want?”
Milo was zo bang voor zijn verslavingen, zo bang voor zijn eigen zwakheid, zo bang voor wie hij diep van binnen dacht te zijn dat hij een paar keer adem moest halen voordat hij weer wat kon zeggen. “Zodat ik geen domme dingen ga doen,” fluisterde hij uiteindelijk.
“Wat?” Pas nu hoorde Milo dat Fletcher bezorgd klonk. “Wat is er aan de hand? Wat is er gebeurd?”
“Ik heb je nodig,” zei Milo zacht.
“Milo, wat is er gebeurd?”
Het kostte Milo geweldig veel moeite niet te gaan huilen. Het duurde enige tijd voordat hij zeker wist dat hij weer iets kon zeggen zonder dat zijn stem vervormd zou klinken.
Fletcher wachtte.
“Hij heeft me verkocht,” zei Milo uiteindelijk. Zijn stem was hees van woede. “Eén van die kolerelijers van die kliniek heeft me godverdomme verkocht.”
“Wat de…”
“Eén van die psychiaters in die verdomde klotekliniek heeft mijn verhaal verkocht!”
Milo hoorde Fletcher diep inademen. “Godverdomme.”
“En ik voel me,” ging Milo verder, en ineens struikelde hij over zijn woorden, “ik ben, ik wil alleen maar, ik wil hem kapotmaken en ik wil mezelf kapotmaken en ik ben zo bang, damn it Chris ik ben zo bang dat ik mezelf wat aandoe, dat ik drugs ga zoeken, dat ik, dat ik…”
“Ben je thuis?”
“Ja…”
“Blijf waar je bent,” onderbrak Fletcher hem.
Milo moest denken aan hoe Rick diezelfde woorden een paar dagen eerder ook tegen hem had gesproken, toen hij daar middenin de nacht alleen in die straat had gestaan na zijn confrontatie met Simon Bolt, en hij voelde zich klein en waardeloos en afhankelijk.
“Ik kom er nu aan. Blijf aan de lijn. Blijf praten. Ik kom er nu aan.”
“Ik ben zo bang Chris,” zei Milo weer. “Ik ben zo bang.”
“Ik ben onderweg,” zei Fletcher alleen. “Blijf praten. Maakt niet uit wat je zegt. Blijf tegen me praten. Ik ben er zo.”

Advertenties
Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Quote

cyril-connolly-quote

“Het is beter voor jezelf te schrijven en geen publiek te hebben, dan voor publiek te schrijven en jezelf kwijt te zijn.”

Geplaatst in Filosofie, Inspiratie, Persoonlijk | Tags: , | 1 reactie

CXXXIII. Woede

vintage piano_sExcuses stonden erin, in de brief die Milo via zijn advocaten ontving van de rehabilitatiekliniek waar hij had verbleven. Heel erg veel excuses. Want het was geen patiënt geweest die zijn verhaal had verkocht aan de pers. Het was één van de psychiaters. De vaste begeleider van de groepssessies, Jonathan.
Milo slaagde erin de brief te lezen tot hij Jonathans naam tegenkwam. Toen begon hij te beven. En zijn ademhaling stokte. En hij hoorde zichzelf kreunen, en hij werd misselijk. Zo misselijk dat hij zich moest verontschuldigen en naar de toiletten van het advocatenkantoor rende, een hand tegen zijn mond geklemd, om net op tijd kokhalzend een wasbak te bereiken voordat hij de tegelvloer onderkotste. Buiten adem zakte hij daarna tegen de muur aan op de vloer, snikkend, met zijn handen voor zijn gezicht.
Na een hele tijd ging de deur van de toiletten open. Het was Rick die binnenkwam. Hij liep naar Milo toe en ging geruisloos naast hem op de vloer zitten. Hij zei niets, maar sloeg alleen een arm om Milo’s schouders.
Na een hele tijd slaagde Milo erin om voldoende lucht te verzamelen. “Vuile, misselijke, smerige klootzak,” fluisterde hij, snikkend tussen elk afzonderlijk woord. “Die miezerige, smerige, vieze, vuile…” Hij drukte met kracht zijn handen tegen zijn ogen, hoorde zichzelf huilen. Het geluid herinnerde hem aan hoe hij had gehuild nadat hij het krantenartikel had gelezen, hoe gewond hij zich had gevoeld, en de woede in zijn lijf was bijna ondraaglijk. “Godverdomme,” vloekte hij hartgrondig, “godverdomme, god-ver-dómme!” Pas na hele lange tijd voelde hij dat Rick troostend een hand in zijn hals legde. “Ik ben zo kwaad,” gromde hij, half fluisterend, “ik ben zo kwaad, ik ben zo kwaad…”
Rick zei nog steeds niets.
“Ik wil die klootzak zien hangen,” snikte Milo woedend.
Rick zuchtte, knikte maar bleef zwijgen.
Het duurde ontzettend lang voordat Milo kalmeerde. En nog langer voordat hij bereid was met Rick terug te gaan naar het kantoor van zijn raadsman. Maar hij was vastberaden Jonathan helemaal met de grond gelijk te maken.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Verslaafd

Pasgeleden las ik ergens dat het verslavend is om afgewezen te worden. Ja, ik dacht hetzelfde als jij nu: yeah, right. Tot ik met mezelf ergens op een bank ging zitten om erover na te denken. Ik ben namelijk hartstikke verslaafd aan afwijzing.

Dat link ik voor het gemak maar even aan ‘de liefde’, waarvan iedereen in mijn omgeving maar blijft roepen dat ‘die mij op een dag wel zal weten te vinden’. Maar na mijn rondje denken snap ik wel waarom die liefde mij absoluut niet gaat vinden. Want ik val niet op mensen die ook op mij vallen. Ik val alleen maar op mensen waarvan ik honderd procent zeker weet dat ze me af zullen wijzen. Of me niet eens zullen zien staan – wat op zich ook afwijzing betekent.

Het is nogal makkelijk om nu te zeggen, nou, dan hou je daar toch mee op? Want dat… lukt dus niet. Omdat ik eraan gewend ben. Omdat ik eraan verslaafd ben. Omdat ik bij afwijzing verdomme dopamine aanmaak (door invulling te geven aan je verslaving geeft het beloningssysteem in je hersenen een shot dopamine af. Zelfs als dat betekent dat je elke keer weer naar dezelfde man toe gaat terwijl je weet dat je af wordt gewezen. Nee, serieus), en ik ben een sucker voor dopamine, zoals iedereen, zelfs als ik daarna moet huilen en me waardeloos voel omdat degene waar ik tegen beter weten in mijn zinnen op had gezet voor de zoveelste keer langs me heen loopt zonder me een blik waardig te keuren.

Ergens in een diep verleden heb ik ergens ooit een tekort opgelopen aan liefde, aandacht, zorg, troost, er mogen zijn, serieus genomen worden; één van deze, of een combinatie van deze, en wanneer en hoe laat ik maar even voor wat het is, maar het is gebeurd. En belachelijk genoeg ga ik naar de dingen die ik ooit ben misgelopen op zoek bij anderen die me dat niet kunnen geven. Anderen waarvan ik van tevoren al wéét dat ze het me niet gaan geven. En dat doe ik dus al zo lang dat het een gewoonte is geworden.

En gewoontes schud je niet zomaar af. Gewoontes veranderen soms gewoon, zomaar, zonder dat je het merkt, in verslavingen.

Dus, erg genoeg kan ik niet zonder bovenmatig veel aandacht besteden aan een man die mij niet ziet staan. Terwijl ik weet dat steeds hetzelfde gedrag vertonen er nooit toe gaat leiden dat er ooit een andere uitkomst komt.

Leer gedrag dat je gedurende een periode van dertig of veertig jaar hebt geperfectioneerd maar weer eens af.

Ik ben zo bang dat ik gewoon niet genoeg goddamn tijd heb in mijn leven om al mijn gewoontes naar een niveau te sturen zodat ze me niet langer belemmeren. Zodat, ik noem maar wat, ‘de liefde me uiteindelijk zal vinden’. Want hoe stom dat ook klinkt uit de mond van iemand die onafhankelijkheid zo hoog in het vaandel heeft staan als ik, ik wil het. Iemand die me die liefde, aandacht, zorg en troost geeft waar ik diep in mijn hart naar verlang, iemand die me serieus neemt, iemand die me laat merken dat ik er mag zijn; niet alleen van mezelf, maar ook van hem.

Geplaatst in Bericht, Filosofie, Inspiratie, Lief dagboek, Persoonlijk, Random writings, Schrijfsels, Uncategorized | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

CXXXII. Schrijven

Piano_sToen Milo wakker werd was het nog donker. Het duurde even voordat hij zich realiseerde waar hij was. Niet thuis, maar weer, voor de zoveelste keer, in de logeerkamer bij Rick. Hij deed zich moeite zichzelf niet kwalijk te nemen dat hij weer niet voor zichzelf had kunnen zorgen, vertelde zichzelf dat het juist goed van hem was dat hij Rick toe had gestaan hem te helpen, maar hij geloofde zichzelf niet echt.
Milo pakte zijn telefoon om te kijken hoe laat het was, maar het toestel bleek leeg. Met zijn handen onder zijn achterhoofd gevouwen staarde hij vervolgens een hele tijd naar het plafond. Dacht aan hoe hij hier avondenlang had liggen huilen van de pijn en verdriet toen zijn handen stuk waren en hij dacht nooit meer te kunnen spelen. En aan de nachten die hij hier niet al te lang geleden nog wakker had gelegen, bevend, tandenknarsend, vechtend tegen de wil om het uit te schreeuwen omdat zijn lichaam niet wilde slapen zonder verdovende middelen. Vroeg zich af waarom het zo veel zeer deed om toe te geven aan zichzelf dat hij hulp nodig had, dat hij sommige dingen niet alleen aankon. Waarom hij de avond ervoor zo woedend was geweest op zichzelf dat hij zich had laten oppikken door Rick, in plaats van gewoon naar huis te gaan. Hij kon er dan wel een vreselijke hekel aan hebben dat hij niet onafhankelijk was, maar wat had hij liever gewild dan? Hij wist dat hij alcohol of drugs was gaan opzoeken als hij niet met Rick mee was gegaan de vorige avond, en dat wilde hij zeker niet.
Omdat hij niet meer kon slapen ging hij uiteindelijk aan het keyboard zitten dat nog in de slaapkamer stond. Hij zette de koptelefoon op die erop lag, grabbelde papier en potloden naar zich toe en begon te schrijven.
Toen het licht begon te worden kleedde hij zich aan en ging hij naar beneden. De inmiddels beschreven bladen papier nam hij mee en hij spreidde ze uit over de keukentafel. En hij keek ernaar. Lang. En uiteindelijk zonder nog iets te zien. Het potlood draaide en danste tussen zijn vingers. Hij wilde graag nadenken over wat er veranderd moest worden aan de muziek die hij voor zich had, maar het enige wat hij kon denken was dat hij wilde dat hij hier met Fletcher naar kon kijken. Dat hij Fletcher nodig had om dit te kunnen doen.
Op het moment dat Milo zijn ogen dicht deed en voelde dat er tranen over zijn wangen kropen, hoorde hij dat er iemand de keuken binnen kwam. Hij deed zich geen moeite het vocht van zijn gezicht te vegen en keek op.
“Wat ben jij er vroeg bij,” zei Rick.
Milo glimlachte licht. “Kon niet meer slapen.”
Rick deed net of hij de tranen op Milo’s gezicht niet had gezien en daar was Milo hem ontzettend dankbaar voor. Hij knikte naar de bladen papier die voor Milo op tafel lagen. “Ben je aan het schrijven?”
Milo keek er ook naar. Na even zei hij: “Het zijn stukjes van nummers van mijn vader. Ik probeer al een tijdje wat dingen te herschrijven. En te arrangeren. Maar het gaat niet zo goed. Niet zoals ik wil.”
Rick liep naar het aanrecht en begon koffie te zetten. Met zijn rug naar Milo zei hij: “Hoor ik je nou zeggen dat je hulp nodig hebt?”
Milo glimlachte weer, nu meer van opluchting omdat hij het zelf niet hoefde te zeggen. “Ik denk het,” zei hij, zachter dan hij eigenlijk wilde.
Nu deed Rick net of hij de verandering in Milo’s stem niet had gehoord. “Misschien kun je Fletcher bellen.”
“Hm,” deed Milo alleen, zijn ogen neerslaand. Hij keek door zijn wimpers naar de papieren voor hem op de tafel.
Rick zette het koffiezetapparaat aan en draaide zich naar Milo toe, leunend tegen het aanrechtblad. “Waarom niet?”
Milo glimlachte weer, een beetje meewarig, en sloeg zijn ogen op naar Rick.
Rick glimlachte ook. “Ik gok erop dat je je weer allerlei dingen in je hoofd hebt gehaald, over of hij wel met je wil praten, laat staan met je samenwerken. Toch?” Hij wachtte even, maar Milo reageerde niet, behalve dat hij zijn ogen weer afwendde. “Maar geloof het of niet: hij wacht erop. Hij wacht op jouw telefoontje. Of je WhatsApp. Of wat dan ook.”
Milo snoof zachtjes. Nu reageerde Rick niet. Nadat hij een hele tijd had geluisterd naar het gepruttel van de koffie in het apparaat zei Milo, weer kijkend naar de papieren die voor hem op tafel lagen: “Wil je de studio voor me regelen?”

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | 3 reacties

CXXXI. Afhankelijk

Piano_sMet de kraag van zijn jasje omhoog en de sjaal die hij droeg tot over zijn neus opgetrokken beende Milo de achteruitgang van de club uit, de straat op. Hij merkte niet dat sommige mensen hem herkenden en zijn naam riepen. Een paar straten verderop voelde hij pas dat hij was gaan rennen.
Het was stil en, op een aantal lantaarnpalen die oranje licht uitstraalden na, donker; zelfs in de hem omringende huizen brandde geen licht.
Zijn handen trilden hevig en Milo duwde ze diep in zijn broekzakken. Hij liet zich met zijn rug tegen een muur vallen en deed met zijn hoofd ver gebogen zijn ogen dicht. Het duurde een hele tijd voordat hij zijn ademhaling weer onder controle had en hij niet meer het gevoel had dat hij zou kunnen huilen. Hij barstte uit elkaar van de tegenstrijdige gevoelens. Hij was zo opgelucht was dat hij Tom en Jesse had gesproken, maar zo woedend dat hun bandleider hem meedogenloos neer had geprobeerd te sabelen, en dat hem dat bijna gelukt was, en dat dat kwam doordat een mispunt waarmee hij in rehab had gezeten zijn verhaal had verkocht. Hij kneep zijn handen zo stevig in elkaar tot vuisten dat zijn nagels in zijn handpalmen sneden en hij beet met dichtgeknepen ogen op zijn lip tot die gevoelloos was geworden en bloedde.
Zijn gsm ging.
“Nee,” snauwde Milo hardop. Zijn stem echode door de lege straat. Hij haalde zijn handen uit zijn broekzakken en wreef langs zijn wangen. “Rot op.”
Het toestel ging naar voicemail, maar de beller gaf niet op en belde opnieuw. En nog eens. En nog eens.
Milo veegde weer langs zijn gezicht, maande zichzelf tot kalmte. Het lukte uiteindelijk voor een deel. Op het moment dat de beller het nog eens probeerde vond Milo dat hij wel voldoende was gekalmeerd om het gesprek aan te nemen.
Het was Rick. Natuurlijk was het Rick.
Milo verbeet zich, het toestel naar zijn oor brengend. “Hi.”
“Hé. Hoe was het?”
Omdat hij bang was dat zijn ogen zouden gaan tranen deed Milo ze weer dicht. “Goed.” Tot zijn spijt was zijn stem vervormd van emotie. “Alles is goed tussen Jesse en Tom en mij.”
“Dat is geweldig om te horen.”
“Hmm,” deed Milo alleen.
Uiteraard had Rick allang aan zijn stem gehoord dat er iets was. Hij vroeg onomwonden: “Wat is er?”
Tot Milo’s spijt snikte hij droog. Geërgerd wreef hij met zijn vrije hand in zijn ogen. “Hun bandleider is een klootzak.”
“Wat?”
Milo deed zijn ogen weer open. “Hij was blijkbaar bang dat ik Jesse en Tom weer bij hem weg kwam halen.” Hij haalde diep adem. Keek naar het einde van de straat waar hij in stond zonder echt iets te zien. “Hij begon over dat artikel van een tijdje geleden.”
Rick vloekte. “Zie je. Ik had met je mee moeten gaan.”
Milo schudde zijn hoofd. “Nee, nee, het ging wel. Het is alleen, het is pas nu…” Hij haalde een paar keer diep adem om zijn opvlammende emoties te onderdrukken. “Nu ik daar weg ben gaat het pas…” Zijn stem brak en hij maakte zijn zin niet af.
“Verdomme, jongen,” zei Rick. “Waar ben je?”
“Weet ik niet,” zei Milo zachtjes. “Ergens in de stad. Ik zoek zo een taxi en dan ga ik naar huis.”
“Weet je het zeker?”
Milo deed zijn ogen weer dicht. Nee, hij wist het niet zeker. Ergens achter in zijn hoofd was hij begonnen met bedenken of hij nog ergens valium of Xanax verstopt had in zijn huis. Of anders ergens onderweg bij een nachtwinkel zou stoppen om wodka te halen. Of om iets anders te scoren, iets harders, iets om verder mee weg te vluchten. Het was zacht, en ver weg, en op de achtergrond, maar het was er wel. “Ja hoor.”
Rick kende hem beter dan wie dan ook. “Kijk anders even op je navigatie waar je bent, dan kom ik je halen.”
“Hoeft niet.”
“Milo.” Hij zei het met een dwingende nadruk. “Luister naar me. Check even de navigatie op je gsm en vertel me waar je bent.”
Milo antwoordde niet. Hij was zo opgelucht dat Rick het er niet bij liet zitten dat hij even bang was dat zijn benen hem niet overeind zouden houden. Op het scherm van zijn smartphone schoof hij het gesprek aan de kant, hij klikte op het routeprogramma en zocht de naam van de straat waar hij was. Het gesprek terugnemend merkte hij ineens dat hij toch huilde. Omdat hij zich niet zo hulpeloos wilde voelen. Omdat hij niet wilde dat hij gered moest worden. Omdat hij niet zo afhankelijk wilde zijn, maar niet anders kon. En omdat hij diep in zijn hart zo, zo blij was dat Rick hem kwam helpen. Hij noemde de naam van de straat tegen Rick.
“En je bent alleen?” vroeg Rick voor de zekerheid.
“Ja,” snikte Milo.
“Blijf waar je bent. Ik ben er binnen een half uur. Bel me als er iets is, oké? Als je lastig wordt gevallen. Of als je onrustig wordt. Of wat dan ook. Oké?”
“Oké,” fluisterde Milo.
“Oké?” vroeg Rick, dwingender.
Milo zei harder: “Oké.”
Rick drukte de lijn weg en Milo liet zich langs de muur op de grond zakken. Met zijn knieën opgetrokken tegen zijn lichaam en zijn gsm in zijn hand wachtte hij, terwijl er af en aan verse tranen over zijn wangen liepen.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | Een reactie plaatsen

CXXX. (Niet) goed

Piano_s“Is het weer goed?” vroeg Angie aan Tom toen ze met Aiden naar het groepje terug was gelopen.
Tom grijnsde naar haar.
Jesse zei: “Het was altijd al goed. Toch, Milo?”
Milo keek hem aan en glimlachte wat afwezig. Hij voelde dat hij allerlei emoties aan het verwerken was en bedacht dat hij misschien snel moest maken dat hij naar huis kwam, zodat hij alleen kon zijn.
“Als hij maar niet denkt dat ik nu meteen weer in zijn band stap,” zei Tom.
Het duurde even voordat Milo besefte dat die opmerking gekscherend bedoeld was en hij boog zijn hoofd, weer licht glimlachend, opgelucht dat hij niet meteen in de verdediging was gegaan. Toch zei hij: “In deze band komen jullie als muzikanten veel beter tot jullie recht dan bij mij, hoor.”
“Goed gezien, knul,” zei een stem achter hem bars en Milo draaide zich om alsof de persoon die had gesproken hem een tik tegen zijn achterhoofd had gegeven.
“W-wat?” hoorde hij zichzelf geschrokken zeggen, en hij kon zichzelf wel wat doen.
Achter hem stond de leider van de band waar Jesse en Tom deel van uitmaakten. Hij was veel groter dan Milo, misschien zelfs groter dan Fletcher. Zijn lange dreadlocks leken nog indrukwekkender dan op het podium, de bril met het zwarte montuur op zijn neus leek zo van dichtbij nog strenger. De man keek neer op Milo met zo veel dedain dat Milo zich moeite moest doen niet in elkaar te krimpen.
“Fijn dat jij ook vindt dat deze heren veel beter bij mijn band passen dan bij jou,” zei de man, terwijl hij naast Milo ging staan. Hij keek naar Tom en Jesse en grijnsde alsof hij zojuist een geweldige overwinning had mogen claimen.
Tot zijn spijt voelde Milo zich geïntimideerd. Maar iets in hem zorgde ervoor dat hij tegelijkertijd zijn rug rechtte en zijn hand uitstak. “Hi,” zei hij, en hij vond zelf dat hij behoorlijk zelfverzekerd klonk. “Ik ben Milo.”
De man schudde Milo’s uitgestoken rechterhand. Hij had een stevige, overtuigende handdruk. “Simon Bolt,” zei hij.
“Je bent denk ik de beste saxofonist die ik ooit heb gezien,” zei Milo. Vanuit zijn ooghoek zag hij Jesse en Tom een blik uitwisselen en hij concludeerde dat hij er ook daadwerkelijk in slaagde zelfverzekerd over te komen.
“Denk je,” zei Bolt, Milo niet aankijkend. Hij klonk ongelofelijk neerbuigend. “O. Waarschijnlijk ben je nog te jong om zoiets zeker te weten.” Hij liet een harde lach horen.
Milo voelde iets opvlammen in zijn binnenste en hij tuitte zijn lippen. Viel die vent hem nou aan? “Nou ja,” zei hij nonchalant, “ik bedenk ineens dat ik me ook vergist kan hebben natuurlijk. Jong als ik ben.”
Bolt keek Milo uit de hoogte aan. Hij probeerde niet eens te verbergen dat hij sneerde: “Wat weet jij nou, jochie?”
Iets opstandigs in hem won het van de intimidatie. Milo voelde het letterlijk gebeuren. Het maakte hem ineens niks meer uit hoeveel groter deze kerel was dan hij, en hoe indrukwekkend zijn kapsel en hoe streng zijn zwarte bril. Het enige waarin hij onderdeed voor deze kerel was het bespelen van een saxofoon. Kom op zeg! Milo legde langzaam zijn hoofd in zijn hals, Bolt aankijkend. Pas na een hele lange stilte vroeg hij: “Heb je enig idee wie ik ben, eigenlijk?” Hij hoorde zelf de krachtige toon die hij ineens in zijn stem had, maar voordat hij daar kracht uit kon putten vroeg Bolt, nog steeds op hem neerkijkend, met nog steeds een onmiskenbare sneer in zijn stem: “Jij bent die knul die de kleren van zijn mama aantrok om zijn papa het graf in te pesten, toch?”
Er ging een steek door Milo’s lijf alsof iemand een mes in zijn borstkas ramde. Het kostte hem geweldige moeite om te verbergen hoeveel pijn dat deed, maar hij glimlachte traag en hautain en zei: “En de beste muzikant die je ooit zult spreken, bitch.”
“Simon,” zei Jesse bezwerend tegen Bolt.
“Pardon?” vroeg Bolt aan Milo, alsof hij Jesse niet had gehoord.
Milo reageerde niet maar bleef de man aankijken, zijn ogen halfgesloten, een schuin, hooghartig lachje op zijn gezicht waarvan hij wist dat het bloedirritant was. Een lachje dat hij ook had gebruikt bij zijn vader.
“Ik ken tientallen gasten die beter zijn dan jij.”
Milo bewoog alleen zijn hoofd wat opzij, maar hij liet Bolts blik niet los. Na een hele tijd zei hij: “Noem er één.”
“Jesse,” zei Bolt onmiddellijk.
Wat een rotstreek.
Milo keek heel even naar Jesse, die zijn ogen dicht deed en zijn hoofd boog, en daarna onmiddellijk weer naar Bolt. Hij schudde langzaam zijn hoofd. “Tjonge. Wat ontzettend laag van je.”
“Hoezo? Het klopt toch?” Bolt keek naar Jesse. “Jesse?”
Milo keek ook naar Jesse, die zich zo ongemakkelijk voelde dat hij kleiner leek te worden. “Niet doen,” zei hij tegen Jesse. “Dat is het niet waard.”
“Hé,” zei Bolt hard. “Je bent z’n vader niet.”
Milo verbeet zich, liet opnieuw niets merken en schudde weer zijn hoofd. “Schei uit man.” Hij liet een minachtend geluid horen. “Je mag dan wel veel ouder zijn dan ik, maar het bereiken van de middelbare leeftijd maakt blijkbaar nog niet volwassen.”
Bolt begon iets te zeggen, maar Milo legde hem het zwijgen op door alleen zijn hand op te steken. Het was een autoritair en niet te negeren gebaar. Zelfs mensen om hen heen hielden op met praten en keken naar Milo, hoewel Milo zelf helemaal niet bemerkte hoe wilskrachtig hij eruitzag. Hij keek Bolt recht aan en zei: “Luister. Deze gasten zijn mijn beste vrienden en ik kom ze alleen maar feliciteren met hun geweldige debuut in jouw band.” De klank van zijn eigen stem verraste hem opnieuw; hij klonk als de leider die hij altijd wilde zijn. “Als jij zo onzeker bent van je eigen kwaliteiten als bandleider dat je denkt dat een vrouwenkleren dragend, ernstig overschat jongetje als ik jou je musici met tien woorden afhandig kan maken, moet je echt eens met iemand gaan praten.”
Bolt staarde hem aan. Hij zocht zichtbaar naar woorden om iets terug te zeggen.
Eigenlijk wilde Milo genieten van het moment, maar hij had even eerder besloten zich uit de voeten te maken voordat Bolt hem nog eens tot in het diepst van zijn ziel zou proberen te raken en hij zijn zelfbeheersing zou verliezen. Hij keek naar Tom en Jesse, en glimlachte veel zelfverzekerder dan hij zich voelde. “Ik hou van jullie,” zei hij. Hij meende het zo eerlijk dat hij voelde dat zijn ogen begonnen te prikken. “Tot snel.”
Tom knikte naar hem. Milo keek hem aan en de blik die hij terug kreeg was zo vol van verstandhouding dat hij Tom ter plekke had kunnen zoenen. In plaats daarvan knipoogde hij naar Jesse en hij mimede: ik hou van je. Jesse glimlachte. Daarop draaide Milo zich resoluut om en hij vertrok.

Geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels | Tags: , , | 1 reactie