Wat is dat toch, dat ik elke keer wanneer ik op het punt sta mijn bijdrage aan WE-300 te posten denk: “nou ja, zo goed is het nou ook weer niet”? Goed, ik ga er niet meer aan sleutelen. Twee minuten geleden was ik er nog tevreden mee.
Het woord van de maand maart: Stamelen. De oorsprong: hier. Mijn bijdrage:
Zo, daar sta ik dan. Nooit degene die niets te zeggen heeft, sterker, altijd degene die iets zeggen moet. Altijd een antwoord, altijd een onderbouwing of een analyse of alles tegelijk. Maar nu heb ik dus even gewoon helemaal niks.
Ik krijg zojuist een tekstbericht van iemand via één of andere app op m’n gsm, en ik sta met mijn mond vol tanden. Grappig is dat ik diegene die mij dat bericht stuurde zojuist niet zo lang geleden nog aan de telefoon had – na een eerder bericht van hem. Tijdens dat gesprek heb ik geprobeerd hem uit te leggen wat er gebeurde, wat ik bedoelde. Maar hij begrijpt me niet. Want hij wil me niet begrijpen.
Nou ja, ik kan deze man veel dingen kwalijk nemen, maar ik kan hem deze keer helaas onmogelijk kwalijk nemen dat hij me niet wilde begrijpen. Want ik stond te stotteren als een schoolkind dat is betrapt terwijl hij een fikkie stookt op een plaats waar hem dat expliciet verboden is. En ik probeerde hem wat op de mouw te spelden, ook nog. Ik stond zo te liegen dat ik bang was dat hij me zou zien blozen door de telefoon heen.
En ik dacht dat ik ermee weg was gekomen.
Ik staar naar mijn gsm en onderdruk de wil, nee, de drang hem weer terug te bellen. Want: wat ga ik dan zeggen? Hetzelfde nog een keer? Dat kan niet. Of, het kan wel, maar hij doorzag het al eens. En om een leugen nog erger te maken, dat lijkt me helemaal geen goed idee.
En bovendien, het maakt helemaal niets uit wat ik zeg. Al spreek ik deze keer de waarheid. Want deze gast wil mijn bloed zien. En dat gaat hem lukken. In welke bochten ik me ook wring vanaf nu.