XCIII. Alles

hands“Toen mijn moeder omkwam bij dat vliegtuigongeluk,” Milo ging er voor het gemak maar even vanuit dat de meeste mensen dat wel wisten uit de pers (het was immers honderden keren vermeld, in elke bio die er ooit over hem was geschreven, bij bijna elk interview stond dit in de inleiding), “sloot mijn vader zich helemaal af van de wereld. Van alles.” Hij schraapte zijn keel, deed even zijn ogen dicht. Zag zijn vader voor zich. Hoe die totaal instortte in de gang van hun huis, terwijl twee mannen van de vliegtuigmaatschappij in de deuropening van de voordeur toekeken. Pas na even kon hij verder praten. “Hij was… hij was in wezen…” Hij zuchtte, zocht naar woorden. “Hij was gewoon weg, eigenlijk. Net zoals mijn moeder. Hij was er fysiek wel, maar… hij was weg, snap je. Hij sloot zich af van alles. … ook van mij.” Hij zuchtte weer. “En ik was te jong, ik was tien, en ik snapte er niks van dat hij mij niet meer zag staan. Hij zat op de bank in de woonkamer en staarde voor zich uit en huilde en dronk, en verder niets.” Hij draaide zich om naar de groep maar keek alleen naar Bobbie. “En ik had hem nodig, want mijn moeder was dood, maar hij was er niet. En toen…”
Milo deed weer even zijn ogen dicht. Zag voor zich wat hij wilde vertellen voordat hij het vertelde, terwijl hij zocht naar woorden om het in te vatten. Dat hij zo wanhopig wilde dat zijn vader hem zag dat hij alles deed om hem te bereiken. Herinnerde zich alle dingen die hij had gedaan om opgemerkt te worden.
Hij bevochtigde zijn lippen met het puntje van zijn tong, zuchtte weer diep, haalde diep adem. “En toen ging ik dingen doen om zijn aandacht te trekken.” Hij richtte zijn ogen op het plafond, zag de nerven in de witgeschilderde balken, elke minuscule oneffenheid in het stucwerk. Nadat hij weer diep adem had gehaald ging hij door: “Ik speelde op de piano van mijn moeder, terwijl hij me dat had verboden.” Zijn stem werd zachter. “Ik eh… ik imiteerde haar stem als ik zong. En eh… ik… ik deed haar kleren aan.” Zijn ogen even dichtknijpend haalde hij weer diep adem. “Ik smeerde haar make-up op mijn gezicht. Ik… ik… ik zei dingen tegen hem die ik haar had horen zeggen, op de toon die zij gebruikte. Dingen als ‘schatje’ en ‘lieveling’.”
Milo zag zichzelf weer de trap af lopen de eerste keer dat hij een jurk van zijn moeder aan had getrokken, op haar pumps, verrast over hoe makkelijk hij daarop kon lopen. Hij rook de lippenstift die hij op had gedaan, zag hoe zijn wimpers aan elkaar kleefden van de mascara.
Hij keek weer even naar buiten, naar de bomen en de regen, in de hoop zichzelf los te kunnen maken van wat hij voor zich zag alsof het gisteren nog gebeurd was, alsof hij het gisteren nog had gedaan. Om weer terug te komen in de werkelijkheid.
Ik ben Milo Morris. Ik ben eenentwintig jaar, en geen tien. Ik ben in een kliniek voor verslaafden. Ik heb de rest van mijn leven therapie nodig.
Hij kuchte, schraapte zijn keek weer. Vervolgde: “Heel… heel gemeen. Ik was… ik was heel gemeen tegen hem.”
Opnieuw zei niemand iets, tot Bobbie weer de stilte verbrak: “En toen kreeg je wel zijn aandacht?”
“Ja. Hij begon me te slaan.” Milo zweeg even en deed zijn ogen weer even dicht, nu om het gevoel dat het allemaal gisteren was gebeurd voor te zijn en het ver weg te houden. Hij verdrong het beeld van zijn vader terwijl die naar hem toe kwam, woedend, grommend als een beest dat dol is van de pijn. Hij schraapte weer zijn keel. “Ze zeggen wel eens, beter slechte publiciteit dan helemaal geen publiciteit. Dat was het een beetje, wat ik dacht. Beter dat soort aandacht dan helemaal geen aandacht. Ik… ik had liever dat hij me sloeg dan dat hij net deed of ik er niet was. Ik, eh… Als hij me sloeg, dan had ik een soort van… bevestiging dat ik ertoe deed. Hoe krom dat ook was. Ik wilde iets losmaken in hem, wat dan ook. En dat hij me sloeg, dat was in ieder geval iets.” Er gleden tranen uit zijn ogen en Milo veegde ze zachtjes weg, zijn hoofd buigend.
“Dat kan niet leuk zijn geweest.”
Milo haalde zijn neus op. “Nee.”
Nu werd de stilte verbroken door een andere medepatiënt: “Heeft hij je ooit verwond?”
Milo glimlachte zuur, zonder degene aan te kijken die de vraag stelde. “Ja. Hij… ik… ik brak een keer mijn neus. Toen ik met mijn gezicht tegen de salontafel viel. En ik heb een keer mijn kaak gebroken. En mijn handen. Toen hij de deksel van de toetsen van de piano van mijn moeder dichtsmeet terwijl ik aan het spelen was.” En o god, wat nog meer. Ribben gekneusd, hersenschudding, van alles. Van alles. Hij besloot verder niets te zeggen. Het was ook niet belangrijk.
“En wat dan? Ging hij dan met je naar het ziekenhuis?”
Milo schokschouderde maar wendde zijn blik weer af. De tranen bleven tot zijn opluchting weer weg. “Nee. Ik eh… ik ging gewoon weg als hij me had geslagen. Het huis uit.” Hij keek weer naar buiten. “Eén van onze buren bracht me naar het ziekenhuis toen ik mijn neus had gebroken. Ze vonden me erg zielig. Dat was ik denk ik ook wel. Het bloedde verschrikkelijk en ik liep heel hard huilend over straat.” Hij glimlachte meewarig, keek naar de vloer. “Daarna ging ik altijd direct naar hen toe als ik dacht dat er iets was. Als iets veel pijn deed ofzo.” Hij zweeg even, keek in het luchtledige. “Toen ik mijn handen had gebroken viel ik flauw voordat ik bij hen was. Het regende, en daar lag ik dan, op de stoep voor ons huis. Toen liep ik ook nog een longontsteking op.” Een korte lach. “Sorry. Ik kan het niet dramatischer maken dan het was.”
“Vroegen ze nooit wat er aan de hand was?” vroeg Bobbie.
Milo lachte schamper, maar er liepen weer tranen uit zijn ogen. Zijn blik ging weer naar het raam, waar de druppels langs het glas naar beneden stroomden. Hij zuchtte weer diep en het duurde weer even voordat hij antwoordde. “Natuurlijk wel. En dan zei ik dat ik van de trap was gevallen, of tegen de deurpost aan was gelopen. Of wat dan ook. Zij wisten vast wel dat ik maar wat zei.” Hij liet weer een korte stilte vallen. “Ik denk dat ik mijn vader wel in bescherming zou hebben genomen als de kinderbescherming of zo ineens aan de deur had gestaan. Liever die rottige relatie die we hadden dan helemaal niets meer.” Hij merkte dat hij niet meer op kon houden met huilen en veegde snikkend in zijn ogen. “Ik weet het niet,” zei hij zachtjes. En nog eens, fluisterend: “Ik weet het niet. Ik weet het niet.”
“Had je een hekel aan je vader?”
Milo keek weer naar Bobbie, die hem de vraag had gesteld. Hij knipperde met zijn ogen, probeerde weer met beide benen op de grond te komen. “Hm,” deed hij. “Eerst niet. Denk ik.” Hij zweeg weer even, sloeg zijn ogen neer. Voelde hoe de tranen langs zijn wangen liepen, en van zijn onderkaak naar zijn hals. “Aan het einde wel. Het…” Hij schudde licht zijn hoofd. “Het was niet… het was niet goed. Het was, het was eenzaam, en pijnlijk, en vreselijk eigenlijk wel.” Milo zweeg weer even, wreef weer met zijn handen in zijn ogen. “Het was onmacht van hem, dat hij me sloeg. Niet zo zeer kwade wil. Maar onmacht. Hij wist niet hoe hij met mij om moest gaan. Hij wist niet wat hij anders moest doen.” Milo was opnieuw even stil, wachtte tot hij kon ophouden met huilen. Probeerde afstand te nemen van zichzelf. Na even ging hij door: “Ik had het ook zelf uitgelokt, toch. En na een tijd eh… na een tijd… na een tijd zocht ik het ook op als ik iets had gedaan wat niet door de beugel kon. Als ik iets had geflikt, en ergens in mijn achterhoofd zei mijn soms ineens opspelende morele kompas, hé man, dat had je niet moeten doen. Dan ging ik naar mijn pa en dan zorgde ik er zelf voor dat hij me ervanlangs gaf. Niet dat ik hem dan vertelde wat ik had gedaan, maar dan daagde ik hem uit door bijvoorbeeld aan de vleugel van mijn moeder te gaan zitten en te spelen tot hij me van die bank af sloeg. En dan had ik, soort van, op mijn falie gehad voor iets wat ik niet had moeten doen.”
“Jezus, Milo,” zei een andere medebewoner.
Ja, dacht Milo. Zo verknipt ben ik dus. Dit is Milo Morris, iedereen. De verrotte Milo Morris. Hij kan dan wel popster heten te zijn, maar er is niks cools aan die jongen. Hij is gewoon alleen maar hartstikke gek.
Maar hij reageerde niet. Zijn maag deed pijn, en zijn hoofd. “Weet je,” begon hij na even uit zichzelf weer, “achteraf zou ik wel willen dat ik, dat we… dat ik had geprobeerd met hem te praten. Maar onze relatie was verschrikkelijk verstoord. Ik denk… misschien had het wel niks uitgemaakt. Of misschien had het alle verschil gemaakt. Ik weet het niet. Het is achteraf altijd makkelijker hè.” Hij liet weer een korte stilte vallen, wendde zijn blik weer af. “Maar als het was gelukt… als het was gelukt om met elkaar te praten… als het was gelukt, dan was hij er misschien nog geweest.” Hij sloeg zijn ogen weer neer.
Daar. Dat was het. Als ik een beter zoon was geweest, dan was mijn vader er misschien nog geweest. Precies dat.
Hij haalde diep adem, en nog eens. “Om aandacht van hem te krijgen was ik een kreng geworden, een snertjong, zei hij altijd tegen me, en ik was te jong om te begrijpen hoe dat was gebeurd en te jong om te weten hoe ik dat om kon draaien. Of ik dat überhaupt om kon draaien. Maar ik heb me zo verschrikkelijk gedragen tegen hem. Misschien was voor hem gewoon wel…” Hij kon zijn zin niet afmaken omdat zijn stem brak en er rolden weer tranen uit zijn ogen. Na even ging hij verder: “Het was denk ik voor hem gewoon wel makkelijker om mij alleen te laten.”
“Is dat niet gewoon egoïstisch…” begon Bobbie.
“Nee!” onderbrak Milo haar hard, haar recht aankijkend. “Nee. Ik was de fucking egoïst van ons beiden, niet hij. Hij wilde van me houden en ik gaf hem die mogelijkheid niet.”
“Dat weet je toch niet,” zei Bobbie.
“Wel.” Milo deed zijn ogen dicht, zocht naar woorden. Probeerde met alle macht bij zijn emotie weg te komen, weg te blijven. Het duurde heel lang voordat hij weer verder ging: “Ik vond op een gegeven moment een hele kist vol met bladmuziek en teksten die hij had geschreven na de dood van mijn moeder. Allemaal liedjes die gingen over haar en, eh… over mij.” Korte stilte. “Over mij, weet je.” Er liepen weer tranen uit zijn ogen. “Er lag een briefje bovenop in die kist. Daar stond op: ‘Jij weet wel wat je hiermee moet doen’,” Hij boog zijn hoofd, snikte weer hoorbaar. “‘Mijn briljante zoon’.” Milo zag het handgeschreven briefje voor zich, de grote, ronde, sierlijke letters, en hij deed zich geen moeite zijn tranen weg te vegen. Er stond ook nog: ‘Liefs van je vader’, maar dat kreeg hij niet uit zijn mond, heel zijn wezen weigerde dat te zeggen. Omdat hij zeker wist dat hij helemaal kapot zou gaan als hij dat hardop zei. Hij had zo gehuild, die avond toen hij dat briefje vond; hij kon al huilen bij de gedachte aan hoe erg hij had gehuild. Het was hem ineens een raadsel hoe het hem was gelukt dat nummer van zijn vader te spelen, elke avond tijdens de tour. Snikkend en stamelend vervolgde hij: “Hij hield wél van me, en ik… dat heb ik nooit beseft, maar hij… Ik was alles wat hij had. En ik heb hem in de steek gelaten, weet je. Mensen kunnen zeggen wat ze willen, dat hij mij eerst in de steek liet, bijvoorbeeld, maar het is… het is… het is gewoon… Ik heb hem zo veel pijn gedaan dat hij niet verder kon.” Hij snikte weer. En hij wist het ineens zeker. Hij zou echt nooit meer kunnen spelen.

Advertenties

Over Jackles

Filosoferende fantast.
Dit bericht werd geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s