XCI. Lucht

Piano_sMilo zat in een hoek in de gezamenlijke ruimte, zijn knieën opgetrokken op zijn stoel, zich zo klein mogelijk makend, en keek naar hoe zijn medepatiënten zich bezighielden met het maken van tekeningen en andere handenarbeid. Allemaal mensen tussen de twintig en de dertig, de meesten eerder dicht bij dertig dan bij twintig. Allemaal ouder dan hij. Ze besteedden weinig aandacht aan hem; de meesten gedroegen zich zelfs alsof hij er niet was.
Zijn weigering mee te doen aan welke activiteit dan ook werd door iedereen voor kennisgeving aangenomen, zelfs door de therapeuten die er rondliepen. Het enige wat ze van hem vroegen was dat hij ‘erbij’ was, wat uiteindelijk dus betekende dat hij in een hoek op een stoel zat terwijl de anderen zich braaf wijdden aan hun therapie.
Hij deed niets anders dan de vorige keer dat hij hier was. Zwijgen, kijken, zonder te protesteren zijn medicijnen nemen, eten wanneer hem dat werd opgedragen, nukkige gesprekken voeren met zijn persoonlijke begeleider en, als hij alleen in zijn kamer was, huilen. Hij probeerde niet te denken aan wie hij was, en welk leven hij leidde als hij niet hier zat, want dan golfde de paniek door hem heen. Stel je voor dat ze hem, net zoals de vorige keer, na een paar maanden naar buiten bonjourden omdat het er door zijn nette gedrag op leek dat hij ‘genezen’ was? Wat moest hij doen als hij hier niet was? Wie zat er op hem te wachten als hij niet eens op zichzelf zat te wachten? En wat moest hij met zijn leven? Er was een groot, zwart gat waar zijn leven hoorde te zijn. En het lachte hem uit. Elke dag.
Een stem haalde hem plotseling uit zijn overpeinzingen: “Hé Milo. Gebruikte je als je op moest treden? Of omdát je op moest treden?”
Milo keek op naar de grote tafel waar zijn medepatiënten zaten. Een aantal van hen keek zijn kant op. Degene die de vraag had gesteld was ene Roland, die hier al langer zat dan de anderen en zich soms gedroeg alsof hij een niet al te stiekeme infiltrant was van de medische staf, door ineens provocerende vragen te gaan stellen.
Rot op, stomme Roland met je stomme vragen.
Milo glimlachte zuur en gemaakt maar antwoordde niet. Hij haalde diep adem en constateerde tot zijn schrik dat hij bijna geen lucht binnen kreeg.
Nee nee nee. Niet gaan hyperventileren. Niet nu. Alsjeblieft.
“Ik snap er niks van,” zei Roland, die zich blijkbaar had voorgenomen dat hij Milo hoe dan ook zou breken vandaag, “Dat iemand die zo mooi en rijk en succesvol en knap en jong is, zichzelf zo naar de knoppen helpt.”
Een vrouw die maar een paar jaar ouder was dan Milo nam het voor hem op: “Nee als je een oud lelijk vod bent zoals jij heb je daar het alleenrecht toe.”
“Bobbie,” zei de begeleider van de handarbeidsessie vermanend. “En Roland. Kom op.”
Milo beet op zijn onderlip. Hij opende zijn ogen weer en zag minuscule lichtpuntjes exploderen in zijn blikveld. Ze bleven, ook toen hij zijn ogen weer sloot. Milo voelde dat hij licht werd in zijn hoofd en zijn vingers begonnen te tintelen. Toen hij diep lucht probeerde te halen merkte hij weer dat het niet lukte. Een volgende poging hielp ook niet. Zijn ademhaling werd sneller en korter. Duizenden spelden prikten over heel zijn lichaam in zijn vel. Hij kuchte, veegde langs zijn ogen en wangen en stond op.
Niet in paniek raken. Niet in paniek raken. Niet in…
“Gaat het?” vroeg Bobbie.
“Ik krijg geen lucht,” murmelde Milo. Hij haalde weer diep adem, piepend en voor iedereen hoorbaar deze keer, en kreeg een hevige hoestbui. Duizelig probeerde hij houvast te zoeken aan de stoel waarvan hij zojuist van opgestaan, maar hij vond niets. Weer hapte hij vruchteloos naar lucht. Hoewel hij zichzelf nog steeds vermanend toesprak wist hij dat hij te laat was. Hij was al in paniek. Hij hyperventileerde al. Godverdomme. “Help me.”
Het was Bobbie die naar hem toe kwam.
“Sorry,” fluisterde Milo, zijn ogen gesloten om haar niet aan te hoeven kijken. Hij haalde gierend adem. “Sorry. Sorry.” Hij besefte dat hij tegen zichzelf sprak. Hij hoopte dat hij niet hardop sprak.
“Rustig maar,” zei Bobbie. Haar stem klonk warm en beschermend. Ze zorgde ervoor dat hij weer ging zitten, streek zijn haar uit zijn gezicht. “Haal langzaam adem.”
Milo slikte, kreunde, schudde hulpeloos zijn hoofd.
“Rustig. We halen even langzaam adem. Samen.”
Hij probeerde adem te halen maar werd alleen maar duizeliger.
“Sst. Rustig aan, diep ademhalen. Vertrouw me. We gaan drie seconden heel kalm inademen. Doe je mee?”
Zacht kreunend kneep Milo zijn ogen dicht.
“Goed zo. Kom. Eén,” Bobbie haalde adem, “twee,” ze haalde weer adem, “Drie.”
Tot Milo’s verrassing lukte het hem lucht te halen.
“Goed zo. En nu langzaam weer uit. Heel langzaam. In zes tellen.”
Milo telde in gedachten mee met Bobbie, die hem hardop instrueerde. Zijn ademhaling werd kalmer. Na en paar keer drie seconden in en zes seconden weer uit te hebben geademd merkte hij dat zijn lichaam zich ontspande.
“Goed zo,” zei Bobbie nog eens tegen hem.
Maar hij vond zichzelf helemaal niet goed. Tegen wil en dank begonnen er weer tranen uit zijn ogen te stromen.

Advertenties

Over Jackles

Filosoferende fantast.
Dit bericht werd geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s