XXXII. Terug

pianokeysMilo keek zichzelf doordringend aan in de spiegel, met zijn handen steunend op de tafel die ervoor stond. “Ga maar,” zei hij tegen zijn bandleden en vrienden, zijn eigen blik niet loslatend. “Ik kom er zo aan.”
De jongens van zijn band twijfelden, zeiden dingen tegen elkaar waar Milo niet naar luisterde, draalden even. “Niet te lang wegblijven,” zei Jesse uiteindelijk tegen Milo, “of we komen je halen.”
Milo glimlachte, zichzelf nog steeds aankijkend. “No worries.”
De deur van de kleedkamer viel achter zijn band dicht. Milo sloot zijn ogen en boog zijn hoofd. Hij bedacht dat hij met hen mee had moeten gaan. Nu zou hij nog meer moed moeten verzamelen om naar zijn eigen releaseparty te gaan. En hij was al zo moe. Het had hem zo veel energie gekost om de beste versie van zichzelf te zijn op het podium. Voor de tweede keer vanavond voelde Milo zich op het bange af onzeker.
De deur achter hem ging weer open.
“Come on,” begon Milo, zich omdraaiend, in de volle overtuiging dat één van zijn bandleden, of misschien nu Rick, hem nog eens kwam vragen mee te gaan naar de party. Maar hij bevroor toen hij het gezicht herkende van degene die binnen kwam.
Het was zijn dealer.
“Hi,” zei de man. “Leuk om je weer te zien.” Hij deed de deur achter zich dicht. En op slot. “Goeie show net.”
Milo werd overvallen door een soort angst die hij niet kende. Hij merkte dat hij achteruit week, terwijl de man nog meters van hem verwijderd was. Zijn vingers begonnen te tintelen. Met elke stap die zijn dealer dichter naar hem toe kwam voelde Milo zich meer in het nauw gedreven. Hij wenste dat hij met zijn band mee was gegaan naar de zaal.
“Ik ben zo blij om te zien dat het goed met je gaat,” zei de man.
Donder op, dacht Milo. Het duurde even voordat hij zijn stem terug had gevonden om het ook hardop te zeggen: “Donder op.”
“Hé hé hé, is dat een manier om je oude vrienden te begroeten?”
“Je bent mijn vriend niet.”
“Je was anders altijd hartstikke blij om mij te zien.”
“Donder op, Charlie.”
De dealer grijnsde een brede grijns met spierwitte, kaarsrechte tanden. “Oké,” zei hij, nog steeds naar Milo toe lopend. Pas toen hij recht voor hem stond bleef hij staan. Hij bracht een hand naar Milo’s gezicht en streelde liefkozend met zijn duim over diens jukbeen.
Milo hapte naar adem.
“Stil maar,” suste de dealer hem. Hij klonk alsof hij probeerde een bange hond naar zich toe te lokken. “Stil maar, knul. Hier.” Terwijl hij dat laatste woord uitsprak greep hij ruw Milo’s hand.
Milo vertrok even zijn gezicht, meer van schrik dan omdat de greep echt pijn deed. Hij voelde hoe zijn dealer hem een piepklein plastic zakje in de rechterhandpalm drukte en zijn vingers eromheen sloot, alsof hij Milo op het hart wilde drukken dat het om een kostbaar relikwie ging dat hij nooit mocht kwijtraken. Milo begon over zijn hele lijf te beven toen hij besefte wat het was.
“Een cadeautje,” zei de man zacht, Milo’s hand stevig dicht drukkend. “Omdat je het zo goed hebt gedaan vanavond.” Hij tuitte zijn lippen en maakte een kusje in de lucht, minder dan tien centimeter verwijderd van Milo’s mond. “Tot gauw,” fluisterde hij. Daarop liet hij Milo los en verliet hij de kleedkamer.
Trillend als een rietje zakte Milo in de stoel voor de spiegel. Hij merkte dat zijn ogen waren begonnen te tranen. De vingers van zijn rechterhand omklemden het minuscule zakje cocaïne alsof dat het leven zelf was.
Wat zou erin zitten? Een gram of twee?
Vier keer een halve gram, voldoende om zich de rest van de avond prima te voelen. Voldoende om de rest van de avond niet meer bang te zijn. Voldoende om de rest van de avond zeker te zijn van zichzelf.
Zo, zo verleidelijk. Zo. Verschrikkelijk. Verleidelijk.
Milo kneep zijn ogen dicht. Klam zweet parelde op zijn voorhoofd, sijpelde in zijn nek, liep langs zijn ruggengraat. Na een tijdje kwam hij tot de ontdekking dat hij zachtjes van voor naar achter wiegde. Alsof hij zichzelf op die manier probeerde te kalmeren. Hij legde zijn tot een vuist gebalde rechterhand in zijn schoot en omsloot hem met de vingers van zijn linker.
Niet doen. Niet doen. Niet doen. Niet doen.
Maar god, o god, hij wilde. Zo graag. Zo graag.
“Niet doen, niet doen, niet doen,” fluisterde hij tegen zichzelf. “Niet doen. Alsjeblieft Milo. Niet doen.”
Zijn hart brandde in zijn borst. Zijn buik was een grote, koude steen.
Pas na wat een eeuwigheid leek lukte het Milo weer zijn ogen te openen. De kleedkamer zwom en het lukte hem niet goed te focussen. Hij probeerde op te staan maar faalde. Een paar keer. Toen hij uiteindelijk op zijn benen stond leunde hij weer met zijn handen op de tafel voor de spiegel, maar hij kon zichzelf deze keer niet aankijken.
Gooi het nou weg.
Milo kneep zijn ogen dicht, deed ze weer open. En besefte dat hij het niet kon. Hij kon niet eens naar de hand kijken waar hij de coke in geklemd had. Hij voelde zich zwak en dom en hij haatte zichzelf.
Hemel, wat wilde hij dat spul graag opsnuiven. Hij wilde het liever dan alle andere dingen die hij ooit had gewild bij elkaar.

Over Jackles

Filosoferende fantast.
Dit bericht werd geplaatst in Milo Morris, Schrijfsels en getagged met , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s