XIV. Ingerekend

pianokeys“Knul? Hé. Wakker worden.”
Milo’s ogen fladderden open maar hij kneep ze meteen weer dicht vanwege de felle zon.
“Ja, kom op. Wakker worden.”
“Wat…”
Iemand trok hem aan zijn arm.
“Hé…”
“Kom op knul, wakker worden. We gaan naar het bureau.”
“Wat?” Zijn ogen gingen weer open. Eerst zag hij alleen licht, maar na een tijdje verschenen de omtrekken van twee mannen. Politie. Eén van de twee zat gehurkt voor hem, de ander stond daar schuin achter.
“Wat heb je hier te zoeken?” vroeg de agent die voor hem gehurkt zat.
“Ik…” Milo drukte zichzelf omhoog. Zijn lijf deed pijn. Het begon weer langzaam tot hem door te dringen waar hij was: op het stenen trapje dat leidde naar de voordeur van zijn huis. Was hij hier in slaap gevallen? “Ik woon hier…” Hij kneep zijn ogen weer dicht, bracht een hand naar zijn voorhoofd.
“Waarom lig je dan op de stoep te slapen?”
Het lukte Milo overeind te gaan zitten. Hij drukte zijn handen tegen zijn kloppende slapen. “Omdat ik mijn sleutel ben verloren.”
“Onhandig.”
“Zeker.”
“Niet zo gevat, knul.”
Milo keek de man aan. Voor het eerst sinds weken ergerde het hem dat het net leek alsof hij zijn omgeving zag door een lichte mist. “Het is geen grapje.”
“Heb je een identificatiebewijs bij je?”
Milo streek met twee handen zijn rommelige haar uit zijn gezicht. Tegen beter in voelde hij aan zijn jaszakken. “Ik ben beroofd,” zei hij, zijn ogen van de agent afwendend. Het drong tot hem door wat de agent zag die naar hem keek: een ongewassen jongen, bleek, bont en blauw, diepe kringen onder zijn ogen, ingevallen wangen, opgedroogd bloed in zijn gezicht. Een zwervertje.
“Kom op,” zei de agent, alsof hij niet had gehoord wat Milo zei. Hij stond op en trok Milo aan zijn arm omhoog.
“Waar gaan we heen?” vroeg Milo, half fluisterend.
“Naar het bureau.”
“Maar ik woon hier.”
“Ja. Dat zeggen er wel meer.”
Paniek. “Nee wacht. Ik woon hier. Echt! Laat me even iemand bellen.”
“Heb je toevallig een telefoontje bij je?”
Milo zuchtte ongeduldig, met zijn handen kloppend op zijn jaszakken. “Nee. Ik ben beroofd. Zeg ik toch.”
“Ja ja.”
Milo voelde het staal van handboeien om één van zijn polsen en probeerde zich in een reflex los te rukken. Daarop stootte de agent hem met een elleboog in zijn maag. Milo klapte dubbel en hapte naar adem.
“Rustig, knul,” zei de andere agent tegen hem.
Milo hoestte en haalde gierend lucht. “Ik. Woon. Hier!”
“Je gaat gewoon gezellig mee naar het bureau. Kun je daar je moeder bellen.”
Bij het horen van het woord ‘moeder’ barstte Milo in huilen uit.

Over Jackles

Filosoferende fantast.
Dit bericht werd geplaatst in Milo Morris, Random writings, Schrijfsels. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s